Hof Arnhem 28 augustus 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB4404
Voor goede trouw van [appellant], die op de hoogte was van de huwelijkse staat van [geïntimeerde], is vereist dat hij op grond van door hem te stellen feiten en omstandigheden meende en mocht menen dat de echtgenote van [geïntimeerde], die niet aanwezig was bij het opstellen en ondertekenen van de overeenkomst, de vereiste toestemming had verleend (artikelen 1:89 lid 2 jo. 3:11 BW). Op de omstandigheid dat het pand ten tijde van het sluiten van de overeenkomst te koop stond via een makelaar kan [appellant] zich niet rechtstreeks beroepen, want hij heeft het pand niet via de betreffende makelaar gekocht. Bovendien brengt de omstandigheid dat een pand via een makelaar te koop staat in beginsel niet mee dat de niet-handelende echtgenoot, indien deze daaraan al heeft meegewerkt, daarmee afstand heeft gedaan van zijn/haar bevoegdheid zich te beroepen op de vernietigingsgrond wegens het ontbreken van toestemming voor een concrete koopovereenkomst. Teneinde het woonmilieu voldoende effectief te beschermen is toestemming nodig voor een concrete rechtshandeling en niet voor het te koop aanbieden van het pand in het algemeen. Voorts is van belang dat doorgaans de opbrengst van de verkoop van de woning zal worden aangewend om een nieuwe woning te financieren. De hoogte van de verkoopprijs is derhalve veelal mede van belang voor de bescherming van het woonmilieu. Tussen partijen is niet in geschil dat in de door [appellant] aangeboden prijs de volgens [appellant] door [geïntimeerde] veroorzaakte schade van € 100.000,00 was verdisconteerd; volgens [geïntimeerde] bedroeg de werkelijke waarde van het pand € 140.000,00 meer dan de overeengekomen verkoopprijs. Derhalve mocht [appellant] niet erop vertrouwen dat de echtgenote van [geïntimeerde] toestemming had verleend voor een koopovereenkomst met een koopprijs die zozeer afweek van de werkelijke waarde van het pand. Daaraan kan het feit dat de echtgenote van [geïntimeerde] pas geruime tijd na het sluiten van de overeenkomst een beroep op de vernietigingsgrond heeft gedaan, niet afdoen. [geïntimeerde] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zijn echtgenote aanvankelijk niet op de hoogte was van (de inhoud van) de overeenkomst, omdat hij haar niet ongerust wilde maken. Een en ander heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist. Voor rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende. [..]
De uitspraak op rechtspraak.nl