Hof Arnhem 24 juli 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB0970

Naar het oordeel van het hof kan [appellant] in haar verhouding tot de gemeente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billlijkheid geen beroep meer doen op het [verweer dat de grond niet verontreinigd was]. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. [appellant] wist reeds in 1999 dat de gemeente de van de aarden wal afkomstige grond op het perceel van [appellant], op basis van de onderzoeksrapporten die de gemeente ook aan hem had toegezonden (en naar aanleiding waarvan [appellant] aan de gemeente had laten weten vanwege de saneringskosten niet aan de voorgenomen sanering te willen meewerken), als asbesthoudend beschouwde. In juni 2000 heeft [appellant] deze verdachte grond op het perceel van de gemeente gedeponeerd. Vervolgens heeft de gemeente [appellant] bij brieven van 25 juli 2000 en 9 augustus 2000 opgeroepen aan te tonen dat hij de van zijn perceel verwijderde grond voordien op verantwoorde wijze had laten saneren, dan wel dat hij alsnog voor een verantwoorde sanering zou zorgen, bij gebreke waarvan de gemeente de kosten voor afvoer op [appellant] zou verhalen. Bij brief van 14 augustus 2000 heeft de gemeente de verwijdering en sanering door een, door haar daartoe aangewezen saneringsbedrijf, aangekondigd en is [appellant] opnieuw in de gelegenheid gesteld de grond zelf te laten afvoeren door een erkend saneringsbedrijf. Vaststaat dat [appellant] deze brieven heeft ontvangen. [appellant] heeft op deze brieven slechts gereageerd met een voorstel de gedeponeerde grond zelf terug te schuiven. Voorts staat vast dat [appellant] aan de gemeente niet heeft meegedeeld om zelf een (tegen)onderzoek te willen laten uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat [appellant], tussen het depot en de verwijdering daarvan, de uitkomst van de van de in opdracht van de gemeente verrichte onderzoeken heeft betwist, terwijl hij wist dat de wens van de gemeente tot verwijdering en sanering van het depot op deze onderzoeken was gebaseerd. Daar komt bij dat de gemeente onbetwist heeft gesteld dat na verwijdering omtrent de verontreiniging van het depot “niets meer opnieuw te controleren valt” (pleitnota eerste aanleg, nr. 2.2). Naar het oordeel van het hof mocht de gemeente onder deze omstandigheden erop vertrouwen dat [appellant] na afvoer van het depot niet alsnog de asbestonderzoeken in twijfel zou trekken. Door destijds geen bezwaar te maken tegen de onderzoeken maar daarmee te wachten tot na de verwijdering en sanering van de grond heeft [appellant], naar het oordeel van het hof, de positie van de gemeente, zoals de gemeente ook heeft gesteld, onredelijk benadeeld. Feitelijk onderzoek van de grond is nu immers niet meer mogelijk, waardoor het voor de gemeente lastig is de juistheid van de resultaten van de in haar opdracht uitgevoerde onderzoeken nader aan te tonen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen