Hof Arnhem 12 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9020

De beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap vormt geen grond voor verlenging van de verjaring ingevolge artikel 3:321, lid 1 aanhef en onder e BW. Volgens Parl. Gesch. Boek 3, blz. 938 gaat het hier om “gevallen, waarin een vertegenwoordiger voor iemand optreedt en hij alleen de rechtsvorderingen voor degene, die hij vertegenwoordigt, kan instellen. Als tijdens deze vertegenwoordiging rechtsvorderingen tussen de vertegenwoordigde en de vertegenwoordiger niet worden geldend gemaakt, dient de verjaring zijn bevrijdende werking niet te kunnen uitoefenen.” Dat geval doet zich hier niet voor omdat dit artikel is geschreven ten behoeve van een vordering ingesteld namens de nalatenschap en [appellant] niet ten behoeve van, maar tegen de nalatenschap optreedt. Anders dan [appellant] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel van [geïntimeerde sub 6] aanvoert, vallen contacten tussen partijen (al dan niet via hun advocaten en/of het kantoor van de boedelnotaris) over de nalatenschappen en/of de nakoming van de koopovereenkomst niet onder de in artikel 3:321 lid 1 BW limitatief opgesomde verlengingsgronden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen