Hof Arnhem 24 april 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA5751
Wijlen [A.] heeft met ingang van 1 januari 1972 aan appellant voor zes jaar verpacht een perceel tuinland te [..], kadastraal bekend gemeente [...] sectie L, nr. 3534, groot 93 aren en 70 centiaren. De pachtovereenkomst is bij notariële akte van 17 juli 1972 op schrift gesteld en door de grondkamer voor Zuid-Holland goedgekeurd op 1 september 1972. Op 10 oktober 1974 is [A.] overleden; geïntimeerden behoren tot zijn erfgenamen. Bij notariële akte van scheiding en deling van 18 juni 1976 is het gepachte toegescheiden aan geïntimeerden. Na ommekomst van de eerste pachttermijn is de overeenkomst aanvankelijk steeds stilzwijgend verlengd. Een aangetekende brief van geïntimeerden aan appellant van 4 november 1999 houdt in dat zij de pachtovereenkomst opzeggen tegen 31 december 2001. Bij verzoekschrift van 10 oktober 2000 heeft appellant de pachtkamer van het toenmalige kantongerecht te Delft verzocht om de pachtovereenkomst te verlengen. Die kamer heeft bij beschikking van 6 maart 2001 appellant in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Bij dezelfde beschikking zijn geïntimeerden niet-ontvankelijk verklaard in hun zelfstandig verzoek strekkende tot een verklaring voor recht dat de pachtovereenkomst is geëindigd en tot ontruiming van het gepachte.
De uitspraak op rechtspraak.nl