Hof Arnhem 10 april 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA4298

In hoger beroep hebben [appellanten] ook nog aangevoerd dat zij minder dan de helft van het jaar in hun zomerhuis verblijven. In dat verband hebben zij verwezen naar enkele overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2001 in het hoger beroep van het bestuursdwangbesluit. Uit deze uitspraak blijkt dat de Gemeente in die procedure het standpunt heeft ingenomen dat een bewoner tegenbewijs kán leveren tegen het vermoeden dat de inwoner zijn hoofdverblijf op het adres van zijn inschrijving heeft door aan te tonen dat hij minder dan de helft van het kalenderjaar op het ingeschreven adres woont. Dit standpunt is volgens de Afdeling rechtens niet onjuist. Anders dan [appellanten] kennelijk menen, volgt hieruit niet dat het aantal dagen dat zij in het zomerhuis verblijven zonder meer bepalend is, nu het hier gaat om de vraag waar zij feitelijk wonen. Het aantal dagen dat men ergens verblijft, kan daarvoor een indicatie geven. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellanten] nog steeds hun woonplaats c.q. het centrum van hun maatschappelijke leven in Haaksbergen hebben, waar zij kunnen beschikken over twee woningen: hun zomerhuis en de woning van hun zoon. Tevens volgt uit het hiervoor overwogene dat er niet van kan worden uitgegaan dat zij permanent wonen in hun voormalige woning aan de [adres 1]. Aldus moet het vooralsnog ervoor worden gehouden dat zij hun zomerhuis permanent bewonen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen