Hof Arnhem 25 april 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:BA8208
Uit de aan weerszijden overgelegde verklaringen en uit de verklaringen van de reeds in eerste aanleg gehoorde getuigen volgt dat de [straatnaam B] vóór 1975 in ieder geval werd gebruikt door de bewoners en bezoekers van de [straatnaam B] en gedurende een zekere periode mogelijk ook – [geïntimeerde] betwist dit – ten behoeve van de vuilstort van de fabriek van [...]. Naar het oordeel van het hof is dit gebruik van het pad door bestemmingsverkeer – daargelaten of dit vrijelijk was dan wel na verkregen toestemming van [B.] – op zichzelf onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van vrijelijk gebruik door eenieder. De gemeente heeft de stelling van [geïntimeerde] dat in de periode vóór 1975 het pad niet door eenieder vrijelijk werd gebruikt, evenwel gemotiveerd bestreden. Ook wat deze stelling betreft is naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden om voorlopig van de juistheid van die stelling van [geïntimeerde] uit te kunnen gaan. [geïntimeerde] wordt derhalve toegelaten tot het bewijs van de stelling dat het pad vóór 1975 niet door eenieder vrijelijk werd gebruikt.
De uitspraak op rechtspraak.nl