Hof Arnhem 7 november 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6032
Uit het onder 4.8 en volgende overwogene volgt dat het [appellante] in het onderhavige geval vrijstond de onderhandelingen met [geïntimeerde] af te breken. Of dit oordeel is gegrond op toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel aan de maatstaf van artikel 6:162 BW, kan in het midden blijven. Het zal immers weinig uitmaken of men het gedrag van onderhandelende partijen toetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel aan de maatstaf van artikel 6:162 BW, nu het in beide gevallen zal gaan om het gedrag dat van partijen in het licht van hun onderhandelingspositie en de verdere omstandigheden van het geval kan worden gevergd (aldus ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 71). Uit het voorgaande vloeit voort dat niet kan worden gezegd dat [appellante] door de onderhandelingen met [geïntimeerde] af te breken onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde].
De uitspraak op rechtspraak.nl