Hof Arnhem 26 september 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ1976
Onder pachtovereenkomst moet worden verstaan: elke overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij tegen voldoening van een tegenprestatie een hoeve of los land in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw. In de onderhavige zaak staat het element landbouw centraal. Landbouw moet hier worden verstaan als iedere vorm van bodemcultuur (zoals akkerbouw en tuinbouw, maar met uitzondering van bosbouw) en onder bodemcultuur moet worden verstaan het aanwenden van de bodem ter verkrijging van hetgeen deze bewerking kan voortbrengen. Het gaat derhalve om vruchttrekking, volgens de rechtspraak echter om vruchttrekking uit economisch oogmerk. Dat laatste element is hetgeen partijen in de onderhavige procedure verdeeld houdt. Is het gebruik dat aanvankelijk IVT en thans DLO van de grond kan maken op grond van de overeenkomst, een gebruik met economisch oogmerk? In verband met dat laatste verdient nog opmerking dat hierbij beslissend is het gebruik dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en niet het gebruik zoals dat feitelijk plaatsvindt, tenzij uit uitlatingen of de handelwijze van de wederpartij moet worden afgeleid dat deze heeft ingestemd met een van de oorsponkelijke bedoeling afwijkend gebruik waardoor inzoverre de overeenkomst een andere inhoud zou kunnen hebben gekregen.
De uitspraak op rechtspraak.nl