Hof Arnhem 19 september 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ1908
De tekst van de pachtwijzigingsovereenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat [appellanten] kunnen volstaan met overdracht van een gedeelte van het met het gepachte samenhangende varkensrecht of met vergoeding van de nettowaarde van een zodanig gedeelte. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van [appellanten] ook met zoveel woorden erkend dat partijen hebben beoogd alle varkensrechten over te dragen. In zoverre kan grief II dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Voor zover [appellanten] met die grief een andere beslissing in conventie beogen, in die zin dat het bedrag van de door [geïntimeerde] te vergoeden waarde van de varkensrechten op een hoger bedrag wordt gesteld dan het door de pachtkamer in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 63.529,—, kunnen zij die kwestie niet aan de orde stellen in hun hoger beroep tegen het herstelvonnis van 19 juli 2005, dat uitsluitend betrekking heeft op de vordering in reconventie. Het hof sluit niet uit dat – in verband met enerzijds de samenhang tussen conventie en reconventie en anderzijds het recht op een eerlijk proces in de zin artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – onder omstandigheden een andere opvatting aangewezen kan zijn, maar van zodanige omstandigheden is in het onderhavige geval in ieder geval geen sprake, omdat het vonnis van 20 april 2005, waarbij omtrent de vordering in conventie is beslist, reeds onderwerp is van het hoger beroep in de zaak met rolnummer 2005/676 P, welk hoger beroep [appellanten] de gelegenheid biedt om hun vordering in conventie te vermeerderen, zodat hun recht op een eerlijk proces op die wijze reeds voldoende is gewaarborgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl