Hof Arnhem 14 augustus 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY6432
Het hof oordeelt dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending van een spoedige behandeling, op grond van art. 509x, eerste lid, Sv en art. 5 EVRM, aan te nemen in voorliggende zaak in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Artikel 509o, tweede lid, onder sub 2 Sv vereist dat bij de vordering een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de terbeschikkinggestelde wordt overgelegd. Het hof oordeelt dat de enkele omstandigheid dat recente aantekeningen ontbreken, niet kan leiden tot afwijzing van de vordering. Het hof acht zich voldoende voorgelicht ten aanzien van de gesteldheid van betrokkene, nu ter zitting betrokkene is gehoord en de recente rapportages voldoende gegevens over deze gesteldheid bevatten.
De uitspraak op rechtspraak.nl