Hof Arnhem 18 juli 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY5662
Het gaat hier om verkoop in 1979 van een voormalige garage van de dienst gemeentewerken met bijbehorende grond op een perceel industrieterrein met een aan de koper opgelegde verplichting tot verbouwing van de opstal tot een garagebedrijf en benzineverkooppunt. [..] Koper [appellant sub 1] mocht er daarom bij het aangaan van de koop wel op vertrouwen dat de door de gemeente te leveren grond voor die destijds voorziene verbouwing geschikt was (zoals ook is gebleken). Maar in redelijkheid valt niet in te zien waarom [appellant sub 1] daaruit ook een garantie mocht afleiden dat de bodem van dit industrieterrein niet was verontreinigd. Volgens zijn brief van 7 maart 1978 aan de gemeente [..] was [appellant sub 1] destijds elf jaar chef werkplaats in klaarblijkelijk een garagebedrijf. Toen [appellant sub 1] kocht, was het hem, zoals hij zelf stelt [..] duidelijk dat hij geen schone grond kocht, maar een perceel waar voordien verontreinigende activiteiten hadden plaatsgevonden. Volgens de transportakte [..] was koper [appellant sub 1] destijds al garagehouder. Blijkens zijn verklaring ter comparitie wist koper [appellant sub 1], toen hij met de gemeente in 1978/1979 over de aankoop praatte, dat daar gemeentevoertuigen werden gerepareerd, dat er werd getankt, dat het gebouw werd gestookt met dieselolie en wist hij verder (ook nog van vroeger) dat er een stortplaats was geweest. Op grond van de voormalige stook met dieselolie behoorde hij rekening te houden met de aanwezigheid van een olietank. In het algemeen was het eind van de zeventiger jaren, zeker voor ondernemers, genoegzaam duidelijk dat bodemverontreinigingen tot acties van de overheid konden leiden. [appellant sub 1] mocht er daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de aan te kopen grond niet was verontreinigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl