Hof Arnhem 11 april 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AX3992
Het hof heeft in het tussenarrest reeds beslist dat de uiteindelijk door [geïntimeerde] gerealiseerde bedrijfsopzet zodanig verschilt van de in de verlengingsprocedure geuite wil, dat niet kan worden gezegd dat hij het gepachte overeenkomstig die wil in persoonlijk gebruik heeft genomen. Zoals in het tussenarrest onder 4.6 is overwogen, volgt daaruit evenwel op zichzelf nog niet zonder meer dat bedoelde wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest. Of die wil in werkelijkheid aanwezig is geweest, staat thans ter beoordeling. Uit het vermoeden van het tweede lid van artikel 44 Pachtwet volgt dat [geïntimeerde] te dien aanzien de bewijslast draagt. Dat betekent ook dat aan de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde] slechts bewijskracht toekomt voor zover aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen dat zij zijn verklaring voldoende geloofwaardig maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl