Hof Arnhem 1 november 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AU6582

Evenals de pachtkamer in eerste aanleg leidt het hof uit met name de getuigenverklaringen van [getuige sub 1] en [getuige sub 2], die beiden als gezinsverzorgster bij de verzorging van [X.] betrokken zijn geweest, van [getuige sub 3], de administrateur van [X.], en van [getuige sub 4], die bij [X.] warme maaltijden bezorgde, af dat [X.] in de laatste jaren voor zijn overlijden geestelijk zodanig sterk achteruit was gegaan dat sprake is van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 Burgerlijk Wetboek, welke stoornis een redelijke waardering van de bij de overeenkomst betrokken belangen belette en ook dat dit voor [appellant], die [X.] regelmatig bezocht, kenbaar moet zijn geweest, zodat hem geen beroep toekomt op een gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in artikel 3:35 van hetzelfde wetboek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen