Hof Arnhem 8 maart 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS9634
USZO heeft ten onrechte zijn brief van 1 maart 1996 niet aangemerkt als besluit. Aannemelijk is dat de daarop gevolgde reactie van [geïntimeerde] - dientengevolge - had moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift. Dat [geïntimeerde], van wie niet gesteld of gebleken is dat hij in deze periode werd bijgestaan door een advocaat of andere rechtshulpverlener, niet eerder heeft aangedrongen op het nemen van een beslissing op de door hem aangevoerde bezwaren en zich niet, bij het uitblijven daarvan via de weg van de fictieve weigering tot de bestuursrechter heeft gewend, kan hem in die omstandigheden niet worden aangerekend. Het voorgaande leidt ertoe dat het terugvorderingsbesluit van 1 maart 1996 in de omstandigheden van het geval geen formele rechtskracht toekomt. UWV zal alsnog een beslissing moeten nemen op de meerbedoelde brief van [geïntimeerde]. UWV betoogt weliswaar dat zij in dat geval niet anders kan dan het besluit handhaven, maar dan staat [geïntimeerde] de weg naar de bestuursrechter open in twee instanties, ervan uitgaande dat bedoelde brief door de bestuursrechter zal worden aangemerkt als een - ontvankelijk - bezwaarschrift. Het hof kan zich voorstellen dat dit voor geen van partijen een aantrekkelijk idee is en zal daarom een comparitie van partijen gelasten ter bespreking van de voortgang van de procedure en met name ter beproeving van een schikking.
De uitspraak op rechtspraak.nl