Hof Arnhem 15 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS7935
Ter bepaling van de omvang van het appel zal het hof eerst langslopen wat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, kort gezegd, heeft overwogen en beslist, alsmede of, en zo ja door wie van partijen, daartegen is gegriefd. Faber heeft de gelding van de algemene voorwaarden van Cobb aanvaard (rov. 5.4). Hiertegen komt Faber op in haar grief A in het incidenteel appel. Cobb dient te bewijzen dat de algemene voorwaarden waarop zij in deze procedure een beroep doet, dezelfde zijn als de door Faber aanvaarde en in de overeenkomst tussen partijen vermelde algemene voorwaarden (rov. 5.6 en dictum). Cobb komt hiertegen op in haar grief IV in het principaal appel. Faber is geen grote wederpartij in de zin van art. 6:235 lid 1 BW (rov. 5.3). Tegen dit oordeel komt Cobb op in haar grief I in het principaal appel. Cobb dient te bewijzen dat zij de litigieuze algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst tussen partijen aan Faber heeft ter hand gesteld (art. 6:233 aanhef en onder b juncto art. 6:234 lid 1 BW) (rov. 5.6 en dictum). Hiertegen komt Cobb op in haar grieven II en III in het principaal appel. Ingeval Cobb in haar bewijs slaagt, aldus de rechtbank, heeft te gelden dat de volledige exoneratie (kennelijk die van artikel 13 lid 2 van de algemene voorwaarden: “Voor zover het betreft de levering van levende have of broedeieren is Cobb nimmer aansprakelijk”) niet jegens Faber onredelijk bezwarend is (art. 6:233 aanhef en onder a BW) (rov. 5.7). Faber komt hiertegen op in haar grief B in het voorwaardelijk incidenteel appel. Toepassing van de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW leidt volgens de rechtbank evenmin tot een voor Faber gunstig resultaat (rov. 5.8). Tegen dit oordeel komt Faber op in haar grief C in het voorwaardelijk incidenteel appel. Met grief V in het principaal komt ook Cobb op tegen een overweging van de rechtbank in dit kader.
De uitspraak op rechtspraak.nl