Hof Arnhem 8 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS7882
De vraag die voorligt is of [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door, zoals de gemeente heeft gesteld, onevenredig veel (mondeling, telefonisch, per fax en bij brief) contact met de gemeente op te nemen, zonder dat daarvoor een goede reden bestond, en door de wijze (lengte, toonzetting en tijdstippen) waarop hij dat heeft gedaan. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, is enkel komen vast te staan dat [appellant] onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door de gemeente (anders dan ter gebruikmaking van zijn rechtsbescherming) schriftelijk en telefonisch te benaderen op de wijze als hij heeft gedaan. Het hof vermag, in het verlengde van hetgeen zojuist is overwogen, niet in te zien waarom de rechtbank [appellant] heeft verboden om gemeentefunctionarissen in de uitoefening van hun functie op de locatie van hun werkzaamheden schriftelijk te benaderen en dat hem alleen is toegestaan zich per brief schriftelijk te wenden tot de gemeente op haar officiële postadres. Een zodanig verbod acht het hof niet noodzakelijk ter bescherming van de rechten van de gemeente. Niet valt in te zien waarom [appellant] een brief niet zou mogen richten tot een individuele gemeentefunctionaris. Het hof acht een aan [appellant] op te leggen verbod om gedurende enige tijd geen telefonisch contact te hebben met de gemeente wel toewijsbaar, nu [appellant] niet is beperkt in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden tegen de overheid en ook niet is beperkt in zijn mogelijkheden om zich schriftelijk tot de gemeente te wenden.
De uitspraak op rechtspraak.nl