Hof Arnhem 1 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS5638

Het gaat in deze zaak om het volgende. In conventie heeft [geïntimeerde] – voorzover in hoger beroep nog van belang – gevorderd vastlegging van een pachtovereenkomst met betrekking tot twee percelen gelegen aan de [adres] en schadevergoeding op de grond dat [appellant] zonder toestemming van [geïntimeerde] tot het gepachte behorende fruitbomen heeft gerooid of doen rooien. Het ene perceel is sinds 1987 bij [geïntimeerde] in gebruik geweest, het andere sinds 1992. Volgens [geïntimeerde] is het gepachte in totaal 1.70 ha groot. Volgens [appellant] is de totale grootte 1.42.15 ha, waarvan een gedeelte van circa 0.50 hectare het perceel betreft dat [geïntimeerde] sinds 1992 in gebruik heeft gehad. In voorwaardelijke reconventie heeft [appellant] onder meer ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd. Bij het vonnis van 28 oktober 1999 heeft de pachtkamer in eerste aanleg aan [appellant] te bewijzen opgedragen dat het perceel van circa 0,50 hectare om niet aan [geïntimeerde] in gebruik is gegeven. Bij het vonnis van 26 april 2001 heeft de pachtkamer in eerste aanleg geoordeeld dat [appellant] in het hem opgedragen bewijs niet was geslaagd, heeft zij ter zake van beide percelen een pachtovereenkomst vastgelegd en heeft zij met betrekking tot de door [geïntimeerde] geleden schade een deskundige benoemd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen