Hof Arnhem 20 april 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO9975

De “eigen woning” als bedoeld in artikel 42a, zevende lid, van de Wet waardering onroerende zaken omvat in dit geval zowel het landhuis als de onder 2. genoemde bijgebouwen en gronden. Nu in 1999 uitsluitend het landhuis in het register bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988 was ingeschreven valt in dat jaar slechts een deel van belanghebbendes eigen woning (namelijk het landhuis) onder de regeling van artikel 42a, zevende lid, van de Wet. Belanghebbendes opvatting dat aanwijzing van het landhuis als monument tot gevolg heeft dat het gehele landgoed onder de regeling van artikel 42a, zevende lid, van de Wet valt is onjuist.(...) Een redelijke uitleg van artikel 42a, zevende lid, van de Wet brengt wel mede dat voor de bepaling van het niet-aftrekbare deel van de niet door de inspecteur betwiste onderhoudskosten uitsluitend de (fictieve) huurwaarde van het landhuis zelf als uitgangspunt dient te worden genomen. Door de toepassing van artikel 17, vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is zulks in dit geval in voldoende mate geschied.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen