Hof Arnhem 22 januari 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO6514
Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders tot het stellen van de gewraakte betalingswijze niet berust op artikel 257 van de Gemeentewet in verbinding met artikel 1a van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, doch rechtstreeks voortvloeit uit artikel 234, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, is het college ook in dat verband – met het onder 4 aangehaalde voorschrift – buiten het kader van (artikel 234, lid 2, aanhef en onderdeel a, van) de Gemeentewet getreden. Bij het verlenen van de bevoegdheid aan het college tot het stellen van bedoelde voorschriften kan de wetgever redelijkerwijs niet het oog hebben gehad op de zich hier voordoende situatie, waarin het college de voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting dusdanig beperkt dat de betaling van die belasting door middel van gangbaar geld of (‘zuivere’) girale betaling in het geheel niet meer mogelijk is.
De uitspraak op rechtspraak.nl