Hof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6623
Naleving cao particuliere beveiliging. Sociaal fonds is in aparte, algemeen verbindend verklaarde, cao onder meer belast met controle op naleving cao particuliere beveiliging. Alvaro heeft deze cao niet toegepast en wordt verplicht dit alsnog te doen en dit aan te tonen. Zij voldoet hier niet aan moet de in de sociaal fonds-cao opgenomen forfaitaire schadevergoeding (‘boete’) per week betalen. Hof matigt deze ‘boete’ maar laat voor het overige de veroordeling van Alvaro en haar bestuurders in stand. Sociaal Fonds kan haar vorderingen op een failliete zustervennootschap van Alvaro niet op Alvaro verhalen op grond van overgang van onderneming.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.775/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11142089
arrest van 13 oktober 2026
in de zaak van
1 Alvaro Security Solutions B.V.
gevestigd te Zuidlaren
hierna: Alvaro
2. [naam1] .
gevestigd te [plaats1]
Hierna: [naam1]
3. [naam2]
wonende te [plaats1]
hierna: [naam2]
4. Alvaro Group Holding B.V.
gevestigd te Groningen
hierna: Holding
5. [naam3]
wonende te [woonplaats1]
hierna: [naam3]
bij de kantonrechter: gedaagden
hierna gezamenlijk aan te duiden als Alvaro c.s.
advocaat mr. G.B. de Jong te Groningen
tegen
Stichting Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging
gevestigd te Den Haag
hierna: SFPB
bij de kantonrechter: eiseres
advocaat: mr. M.W.M. Heijlaerts te Amsterdam
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1 Alvaro c.s. hebben op 17 november 2025 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (verder: de kantonrechter), op 2 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2 In de procedure in hoger beroep zijn de volgende processtukken ingediend:
de memorie van grieven van 27 januari 2026;
de memorie van antwoord tevens memorie van incidenteel appel met de producties 26 tot en met 28;
de memorie van antwoord in incidenteel appel van 19 mei 2026;
de rolbeschikking van 11 augustus 2026 waarbij Alvaro c.s. nog in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de producties 26 tot en met 28. Van die gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.
1.3 SFPB heeft, al voor de rolbeschikking van 11 augustus 2026, arrest verzocht en het procesdossier daartoe aan het hof overgelegd. Alvaro c.s. hebben aangegeven ermee in te stemmen dat het hof arrest wijst op dat procesdossier.
2 De kern van de zaak
2.1 Alvaro valt onder de werkingssfeer van de cao Particuliere Beveiliging (verder: cao PB). Alvaro heeft die cao niet volledig nageleefd en heeft (tevergeefs) geprobeerd onder de cao Veiligheidsdomein (van de VVNL) te vallen die voor de werkgever voordeliger is. SFPB houdt zich onder meer bezig met controle op de naleving van de cao PB. Zij heeft Alvaro opgedragen die cao alsnog met terugwerkende kracht na te leven en bewijsstukken aan SFPB toe te sturen dat zij daaraan heeft voldaan. Dat heeft Alvaro niet gedaan. SFPB heeft vervolgens aan Alvaro een ‘boete’ opgelegd.
2.2 In geschil is of die ‘boete’ terecht is opgelegd en of ook de bestuurders van Alvaro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van die ‘boete’. Daarnaast is in geschil of Alvaro ook kan worden aangesproken op het niet naleven van de cao PB door een verwante onderneming die op hetzelfde adres gevestigd is geweest en die inmiddels failliet is.
Het hof oordeelt dat Alvaro terecht een ‘boete’ heeft gekregen, maar dat die wel voor matiging vatbaar is. Haar bestuurders zijn terecht mede persoonlijk aansprakelijk geacht voor de betaling van deze ‘boete’. Alvaro is niet aansprakelijk voor het niet naleven van de cao PB door de aan haar verwante onderneming.
2.3 Het hof zal deze beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.
3 De feiten
3.1 SFPB is in 2000 opgericht door vakbonden en werkgevers in de beveiligingsbranche en heeft tot doel om activiteiten te bevorderen die zijn gericht op het creëren van goede arbeidsverhoudingen in deze bedrijfstak. Een van de taken van SFPB is het toezien op de correcte naleving van de cao PB. SFPB voert in dat kader bedrijfscontroles uit. De taken van en verplichtingen van werkgevers tegenover SFPB zijn neergelegd in een afzonderlijke cao, de cao SFPB.
3.2 Alvaro is blijkens het handelsregister in 2020 opgericht, met als omschrijving van haar activiteiten het leveren van diensten op het gebied van veiligheid. Alvaro heeft de voor het leveren van die diensten benodigde vergunning verkregen op 1 juni 2021.
3.3 [naam1] en Holding zijn de rechtspersoon-bestuurders van Alvaro. [naam2] en [naam3] zijn de bestuurders van respectievelijk [naam1] en Holding.
3.4 De cao PB is algemeen verbindend verklaard over de periode 23 oktober 2021 tot en met 30 juni 2023. De daarop volgende cao is verbindend verklaard over de periode 20 januari 2024 tot en met 24 maart 2024.
3.5 De cao SFPB is, met een aantal wijzigingsbesluiten, algemeen verbindend verklaard van 28 oktober 2021 tot en met 30 juni 2026. Als bijlage 3 bij de cao SFPB is opgenomen een controlereglement waarin onder meer zijn opgenomen de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de cao-controle wordt uitgevoerd.
3.6 SFPB heeft op 23 augustus 2023, ten kantore van Alvaro, een onderzoek uitgevoerd naar de naleving door Alvaro van de cao PB over de periode P6-2022 tot en met P5-2023. SFPB heeft een aantal overtredingen vastgesteld ten aanzien van de looninschaling, verlof feestdagencompensatie, reiskostenvergoeding, doorbetaling onregelmatigheidstoeslag bij verlof en ziekte, pensioenopgave, eindejaarsuitkering en de afdracht van de SF-premie. SFPB heeft daarover gerapporteerd met een brief van 20 september 2023 en Alvaro verzocht dit te corrigeren en de bewijsstukken van de correcties en de daaruit volgende nabetalingen aan de werknemers binnen vier weken na dagtekening aan SFPB toe te zenden.
3.7 Op 19 oktober 2023 heeft SFPB geschreven nog niets te hebben ontvangen en Alvaro verzocht haar de gevraagde stukken alsnog binnen twee weken toe te zenden. Op 3 november 2023 heeft zij eenzelfde brief doen uitgaan, weer met een termijn van twee weken, nu met de aanzegging dat wanneer de stukken niet binnen de termijn zijn ontvangen, aanspraak wordt gemaakt op de in het controlereglement opgenomen forfaitaire schadevergoeding. Op 20 november 2023 is deze brief herhaald, met opgave van de hoogte van deze schadevergoeding, volgens haar neerkomende op € 6.091,12 per week van verzuim. Met een brief van 19 december 2023 heeft SFPB nogmaals gereclameerd en aangegeven dat de schadevergoeding inmiddels was opgelopen tot tweemaal het genoemde bedrag.
3.8 Op 11 maart 2024 heeft de advocaat van SFPB Alvaro c.s. bij aangetekende mail aangeschreven tot betaling van de inmiddels hoog opgelopen schadevergoeding, en tot het alsnog verstrekken van de gevraagde gegeven.
3.9 Alvaro c.s. hebben niet aan deze sommaties voldaan.
3.10 Op hetzelfde adres als Alvaro is gevestigd geweest Alvaro Security Group B.V. (verder: Group) die op hetzelfde werkterrein actief was als Alvaro. Bestuurder van Group was BSDE Holding B.V, met als bestuurder [naam4] , die een broer is van [naam2] . Group is per 14 november 2023 failliet verklaard. In een verstekvonnis van de kantonrechter te Groningen van 16 oktober 2023 was Group op vordering van SFPB onder meer veroordeeld tot betaling van € 97.704,79 aan looncorrecties over 2019 en 2020, te betalen aan werknemers van Group. Daarvan is slechts € 15.174,66 betaald.
4 De vorderingen bij en de beslissing van de kantonrechter
4.1 SFPB heeft bij de kantonrechter gevorderd dat
I Alvaro wordt veroordeeld tot het alsnog overleggen van de bewijsstukken als opgenomen in de brief van 20 september 2023, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II Alvaro wordt veroordeeld tot het overleggen van de bankafschriften inzake nabetaling van de werknemers van Group tot een bedrag van € 82.530,13, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III Alvaro c.s. worden veroordeeld tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding volgend uit het controlereglement behorende bij de cao SFPB tot een bedrag van € 121.822,40, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding;
IV Alvaro c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure, alsmede (V) in de nakosten.
4.2 De kantonrechter heeft de vordering onder I grotendeels toegewezen, vanaf de datum van vergunningverlening (1 juni 2021), en de dwangsom van een maximum van € 10.000 voorzien. Ook de vorderingen onder III en IV zijn toegewezen. De vordering onder II is afgewezen.
5 De toelichting op de beslissing van het hof
De vorderingen in hoger beroep
5.1 Alvaro c.s. vorderen in hun hoger beroep (dat wordt aangeduid als het principaal appel) dat het hof alsnog de vorderingen van SFPB volledig afwijst. Zij voeren een viertal genummerde bewaren (grieven) aan tegen het vonnis van de kantonrechter, waarbij de eerste grief zich keert tegen de verplichting om gegevens te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom. Grief II betreft de verschuldigdheid, dan wel de hoogte, van de forfaitaire schadevergoeding. Grief III keert zich tegen het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid door de kantonrechter en grief IV ziet op de proceskostenveroordeling.
5.2 In incidenteel appel wil SFPB bewerkstelligen dat haar hiervoor onder 4.1 onder II samengevatte vordering alsnog wordt toegewezen. Zij heeft daartoe één grief geformuleerd en vordert dat voor recht wordt verklaard dat Alvaro als verkrijgende werkgever aansprakelijk is voor de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten bij Group, waaronder de loonverplichtingen vastgesteld in het verstekvonnis van 10 oktober 2023, gewezen tussen SFPB en Group.
Het controlereglement van SFPB
5.3 In het principaal appel staat centraal het controlereglement dat een bijlage vormt bij de cao SFPB. SFPB is belast met het houden van toezicht op de naleving van in ieder geval de cao PB en de cao SFPB. De werkgevers die onder het toepassingsbereik van deze cao’s vallen zijn verplicht om binnen de door de SFPB gestelde termijn de door haar gevraagde informatie te verstrekken (artikel 2 controlereglement). Dat Alvaro onder het toepassingsbereik van deze cao’s valt, is niet meer in geschil.
5.4 Artikel 4 controlereglement bevat een niet-limitatieve opsomming van de stukken waarin de werkgever bij een controlebezoek inzage moet verschaffen en artikel 5 lid 6 bepaalt dat, indien bij de controle omissies zijn geconstateerd, binnen de door SFPB gestelde termijn bewijsstukken van de correcties en nabetalingen aan SFPB moeten worden toegezonden.
Die situatie is hier aan de orde: SFPB heeft op diverse punten geconstateerd dat de cao PB en de cao SFPB niet zijn nageleefd en heeft om bewijsstukken van de correcties en nabetalingen opgevraagd. SFPB heeft de aangetroffen omissies als ernstig gekwalificeerd en aan Alvaro het oordeel ‘onvoldoende’ gegeven. Dit betekent volgens artikel 5 lid 6 dat dan voor de periode vanaf het vorige controlerapport (voor een periode van maximaal rond de drie jaar) kan worden gevraagd tot herstel over te gaan en nabetalingen te verrichten. Dat sprake is van ernstige overtredingen van de cao’s in deze procedure ook niet in geschil.
5.5 Wat het SFB kan doen bij overtredingen is geregeld in artikel 7 van het controlereglement.
Lid 1 bepaalt dat de cao-partijen – dus de werkgeversorganisaties en de vakbonden – hun bevoegdheid tot het instellen van schadevergoedingsvorderingen bedoeld in artikel 15 Wet cao en artikel 3 lid 4 Wet AVV overdragen aan SFPB voor zover het betreft de vorderingen ter zake van de schade die zij zelf lijden.
Lid 2 bepaalt dat de werkgever die, na door het SFPB in gebreke te zijn gesteld, daarna tenminste 14 dagen nalatig blijft om de door het SFPB gevraagde gegevens te verstrekken (of onjuiste gegevens verstrekt) een forfaitaire schadevergoeding aan het SFPB moet betalen. SFPB kan daarvan (geheel of gedeeltelijk) afzien bij bijzondere omstandigheden.
Lid 3 bepaalt dat als een werkgever na ingebrekestelling met een termijn van 14 dagen nog steeds de cao niet naleeft op de in de ingebrekestelling aangegeven punten, die werkgever een schadevergoeding moet betalen, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van die werkgever. Ook kan rekening gehouden worden met de mate van het alsnog nakomen van de achterstallige verplichtingen of het stellen van zekerheid.
5.6 Artikel 9 gaat over de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding.
Lid 1 bepaalt dat de forfaitaire schadevergoeding wekelijks 1% van de loonsom van de werkgever bedraagt welke ten grondslag ligt aan de laatst vastgestelde SFPB-bijdrage, met een minimum van € 1.500.
Lid 3 bepaalt dat ook de schadevergoeding van artikel 7 lid 3 op dezelfde wijze wordt berekend, met de mogelijkheid van aanpassing op grond van de in artikel 7 lid 3 genoemde factoren.
Lid 4 bepaalt dat de schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die SFPB maakt en dat SFPB niet hoeft aan te tonen dat zij de schade die zij vordert ook daadwerkelijk heeft geleden.
SFPB kon Alvaro verplichten de cao PB alsnog na te leven
5.7 Het hof stelt vast dat de vorderingen onder I en III zijn gebaseerd op artikel 5 lid 6 in samenhang met artikel 7 lid 2 van het controlereglement. Het hof verwerpt het betoog van Alvaro c.s. dat SFPB Alvaro niet deugdelijk in gebreke heeft gesteld. SFPB heeft in haar brief van 20 september 2023 aangegeven op welke onderdelen Alvaro de cao’s niet had nageleefd en Alvaro op 20 november 2023 in gebreke gesteld, waarbij nog een termijn van twee weken is gegeven om alsnog de bewijsstukken over te leggen. Alvaro heeft de gevraagde bewijsstukken niet aangeleverd. Daarmee is Alvaro op grond van artikel 7 lid 2 in beginsel de forfaitaire schadevergoeding verschuldigd.
5.8 Alvaro heeft zich verder gekeerd tegen verplichting om de correcties (dus het alsnog nabetalen van haar werknemers conform de cao) ook over eerdere jaren dan 2023 te laten plaatsvinden. De kantonrechter heeft deze verplichting beperkt tot 1 juni 2021. De kritiek van Alvaro hierop is tevergeefs. Zij viel gedurende de hele in geschil zijnde periode onder de werkingssfeer van de cao’s en zij kan, gegeven het haar toegekende oordeel ‘onvoldoende’, op grond van artikel 5 lid 6 van het controlereglement door SFPB verplicht worden om ook voor een periode in het verleden van enige jaren voorafgaand aan de controleperiode die hier aan de orde is – die begon bij (loon)periode 6 van 2022 alsnog tot herstel- en nabetaling aan haar werknemers over te gaan. De periode vanaf 1 juni 2021 tot periode 6 van 2022 valt binnen de termijn van artikel 5 lid 6.
5.9 Alvaro dient zelf aan te geven wie haar werknemers in de desbetreffende periode waren en wat zij bij hun loonstroken c.s. heeft gecorrigeerd op grond van de constateringen van SFPB. Haar betoog dat zij, dan wel haar administrateur, de gegevens van 2022 en 2023 niet eenvoudig kon aanleveren, treft geen doel. Alvaro wordt geacht een deugdelijke loonadministratie bij te houden en op grond daarvan zelf aan te kunnen geven wie haar werknemers waren, wat deze uitbetaald hebben gekregen en welke nabetaling aan hen moet worden verstrekt op grond van de door het SFPB in de brief van 20 september 2023 aangegeven onderdelen waarop de cao niet is nageleefd. Indien, zoals zij stelt, voor het eerst in 2022 werknemers in dienst zijn getreden bij Alvaro, dan had Alvaro ook dat, aan de hand van verzamelloonstaten, kunnen aantonen. Alvaro heeft ook in appel de vereiste gegevens niet verstrekt. Dat zij met SFPB zou hebben afgesproken dat zij eerst de gegevens over 2024 zou aanleveren en daarna pas die over eerdere jaren, kan het hof niet uit de daartoe overgelegde bewijsstukken afleiden. Deze zien op de verstrekking van de gegevens voor het bedrijfspensioenfonds en niet op de hier in het geding zijnde nabetalingen op basis van de cao. Dat zij daarmee jarenlang mocht wachten – immers zelfs in 2026 zijn de gegevens nog niet verstrekt – heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
Alvaro is terecht veroordeeld om haar verplichtingen alsnog na te komen
5.10 Het hof begrijpt de vorderingen die SFPB op dit punt heeft ingesteld aldus dat SFPB aanspraak maakt op de forfaitaire schadevergoeding berekend over de periode genoemd in de dagvaarding, en daarnaast alsnog aanspraak maakt op de verstrekking van de gegevens waarom zij heeft verzocht, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De forfaitaire schadevergoeding heeft, naar tussen partijen niet in geschil is, het karakter van een boete en een prikkel voor de werkgever om zijn verplichtingen uit de cao PB na te komen. SFPB kan naast de forfaitaire schadevergoeding ook aanspraak maken op het alsnog nakomen van de verplichting. De forfaitaire schadevergoeding komt niet in de plaats van de verplichting tot nakoming. De grief die zich keert tegen de toewijzing van die vordering tot nakoming slaagt niet. Alvaro dient alsnog na te komen en haar bestuurders dienen zich daartoe in te spannen. De toegewezen dwangsom is aanzienlijk lager dan de forfaitaire schadevergoeding die SFPB volgens het controlereglement per week kan opleggen. Het hof is wel van oordeel dat SFPB niet over dezelfde periode aanspraak kan maken op een dwangsom én op de forfaitaire schadevergoeding. De opmerking in de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep dat de boete ook na het vonnis nog steeds oploopt, verdient naar het oordeel van het hof dan ook in zoverre nuancering. Aangezien echter geen schadevergoeding voor de periode na het vonnis is gevorderd, heeft dat voor de beoordeling in deze zaak verder geen gevolgen.
De forfaitaire schadevergoeding is juist berekend
5.11 Het hof verwerpt ook het betoog van Alvaro c.s. dat het SFPB de loonsom waarop zij de weekboete heeft gebaseerd onjuist zou hebben berekend. SFPB heeft bij memorie van antwoord loonstaten overgelegd waarop zij die boete (de forfaitaire schadevergoeding per week) heeft gebaseerd. De juistheid van die staten en van de berekening is niet door Alvaro bestreden, ook niet nadat zij daartoe nog uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld.
Het beroep op matiging
5.12 Het hof is van oordeel dat de forfaitaire schadevergoeding van artikel 7 lid 2 controlereglement gelijkgesteld moet worden aan een boete in de zin van artikel 6:91 BW, dat die boete voor matiging in aanmerking kan komen als toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden en dat daarbij onder meer dezelfde factoren die genoemd zijn in bij de bepaling van de schadevergoeding/boete van artikel 7 lid 3 een rol spelen. Het gaat immers in wezen om eenzelfde soort gedraging: bij artikel 7 lid 3 gaat om het niet naleven van de cao als zodanig en in dit geval bij artikel 7 lid 2 om het niet hebben aangetoond dat de cao alsnog is nageleefd. Het bedrag van de boete is fors. Alvaro c.s. bestempelen het bedrag als buitensporig en stellen dat dit niet in verhouding staat tot de daadwerkelijke schade voor SFPB. Andere factoren waarom de schadevergoeding zou moeten gematigd, hebben zij niet aangevoerd. Daartegenover staat dat SFPB ook niets heeft gesteld over de door haar gemaakte kosten in verband met haar toezichthoudende taak. Zij stelt alleen dat de toetsingsmaatstaf van artikel 6:94 BW terughoudend is en er geen reden is voor matiging omdat Alvaro nog steeds de looncorrecties niet heeft doorgevoerd en de schadevergoeding ook strekt tot vergoeding van de reputatieschade van de cao-partijen.
Het hof neemt in aanmerking dat in het controlerapport als voorbeeld twee werknemers worden genoemd van wie het uurloon te laag is (in het ene geval ongeveer 10% te laag, in het andere geval 2 cent te laag), dat ook een groot aantal andere, verder niet gekwantificeerde tekortkomingen zijn geconstateerd die leiden tot het oordeel ‘onvoldoende’ terwijl Alvaro ook na het vonnis geen kenbare moeite heeft gedaan om alsnog tot uitbetaling van de achterstallige looncomponenten over te gaan. Daarnaast moet worden vastgesteld dat Alvaro geen (actuele) financiële gegevens heeft overgelegd waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat een substantiële schadevergoeding in haar geval tot een buitensporig en daarom een onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Verder betrekt het hof in zijn oordeel dat SFPB heeft niet aangegeven welke kosten zij in deze procedure heeft moeten maken en evenmin enige indicatie heeft gegeven van de reputatieschade van de cao-partijen. Het hof ziet, alles afwegende, aanleiding om met toepassing van artikel 6:109 BW de forfaitaire schadevergoeding te matigen tot 10% van de door het SFPB berekende jaarloonsom, derhalve op € 60.911. In zoverre slaagt het beroep op matiging.
Tegen de toewijzing door de kantonrechter van wettelijke rente
over het bedrag van de boete en de ingangsdatum daarvan is geen grief gericht.
De aansprakelijkheid van de bestuurders van Alvaro
5.13 Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval.
5.14 De stelplicht waarom sprake is van aansprakelijkheid van de bestuurders naast Alvaro berust bij SFPB. Zowel de stellingen van SFPB waarom hiervan sprake is als het verweer van de (indirecte) bestuurders van Alvaro zijn op dit punt summier. In hoger beroep is de discussie toegespitst op de vraag of de bestuurders van Alvaro verwijtbaar hebben gehandeld door zich aan te sluiten bij VVNL en hadden moeten weten dat dit niet afdeed aan de toepasselijkheid van de cao PB op Alvaro. Dit omdat de dispensatie (op de algemeen verbindend verklaring van de van de cao PB), die aanvankelijk is verleend aan VVNL-leden die de cao Veiligheidsdomein toepasten, alleen gold voor VVNL-leden op het moment van de dispensatieverlening. Deze dispensatieverlening is nadien door de rechtbank Midden-Nederland vernietigd. Voor de aansprakelijkheid voor de hier in geding zijnde forfaitaire schadevergoeding is de kwestie van de dispensatie echter niet van belang omdat deze vergoeding niet ziet op het aanvankelijk niet toepassen van de cao PB maar op het niet tijdig stukken toesturen waaruit blijkt dat die cao vanaf 2021 alsnog correct is toegepast. SFPB heeft hierover bij de kantonrechter gesteld dat de bestuurders/aandeelhouders in de positie verkeerden dat zij het beleid van Alvaro ten aanzien van het alsnog naleven van de cao en het toesturen van de controledocumenten konden bepalen. Alvaro c.s. heeft dit niet betwist en ook geen deugdelijke verklaring gegeven waarom deze gegevens niet zijn verstrekt na de ingebrekestelling en ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord nog steeds niet waren verstrekt. De (rechtspersoon-)bestuurders van Alvaro c.s. frustreren daarmee op onaanvaardbare wijze de rechtmatige uitoefening van de taken van SFPB en verhinderen op die wijze ook dat Alvaro haar cao-verplichtingen nakomt. Hen treft daarom persoonlijk een ernstig verwijt. Die aansprakelijkheid rust ingevolge artikel 2:11 BW ook op [naam2] en [naam3] als de bestuurders van respectievelijk AFK en Holding. De grief tegen het aannemen van bestuurdersaansprakelijk treft geen doel.
Alvaro is niet tegenover SFPB aansprakelijk voor nalatigheid van Group
5.15 SFPB heeft bij de kantonrechter betoogd dat Alvaro met Group moet worden vereenzelvigd dan wel aangemerkt moet worden als opvolgend werkgever na overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW en gehouden is om een tegen Group bij verstek toegewezen vordering van SFPB te voldoen. De kantonrechter heeft de vordering op beide grondslagen afgewezen. Het oordeel dat geen sprake is van vereenzelviging is in hoger beroep niet aangevochten.
5.16 Het hof oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is, zelfs als sprake zou zijn van overgang van onderneming. Overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW leidt niet tot een algemene overgang van rechten en verplichtingen van de entiteit waarvan de onderneming of een deel daarvan wordt overgedragen. Op grond van artikel 7:663 BW gaan alleen de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst over op de verkrijger. De regeling van de overgang van onderneming strekt tot bescherming van de rechten van de werknemer. Andere schuldeisers van de overdragende entiteit worden niet door deze regeling beschermd. SFPB is geen werknemer van Group. Zij heeft ook niet gesteld dat aan haar de loonvorderingen van de werknemers van Group zijn overgedragen. Het hof wijst op artikel 7 lid 1 van het controlereglement waarin staat dat alleen de eigen vorderingen van de cao-partners worden overgedragen, dus niet de individuele loonvorderingen van de desbetreffende werknemers. Dat SFPB in dit geval, in afwijking van genoemd artikel, namens de werknemers van Group specifieke loonvorderingen van Group dan wel van Alvaro als een opvolgend werkgever mocht vorderen, blijkt niet uit haar stellingen noch uit de overgelegde bescheiden. Die wijzen eerder op het tegendeel omdat SFPB bij repliek heeft aangevoerd dat het gaat om de eigen vorderingen uit de artikelen 12, 13, 15 en 16 Wet cao en artikel 3 Wet AVV, dus de aan haar overgedragen vorderingen van de cao-partners.
5.17 Het hof is verder van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat SFPB niet heeft aangetoond dat sprake is van overgang van onderneming. Het hof neemt dat oordeel als het zijne over. SFPP komt in hoger beroep niet met nieuwe argumenten maar herhaalt summier wat zij eerder heeft gesteld en stelt dat de kantonrechter ten onrechte niet de gestelde omstandigheden als geheel heeft beoordeeld – wat onjuist is gelet op overweging 4.26 van het bestreden vonnis – en dat op Alvaro een verzwaarde stelplicht en bewijsaandraagplicht zou rusten om aan te tonen dat geen sprake is van overgang van onderneming. Ook dat laatste verwijt gaat niet op. De door SFPB gestelde omstandigheden die zijn komen vast te staan (familierelatie bestuurders, hetzelfde kantooradres indiensttreding van enkele werknemers na faillissement Group bij Alvaro) zijn onvoldoende om overgang van onderneming aan te nemen, ook niet bij wege van een rechterlijk vermoeden. De andere door haar genoemde omstandigheden zijn door de kantonrechter terecht verworpen omdat die onjuist bleken te zijn dan wel gemotiveerd waren betwist. SFPB heeft in hoger beroep geen nieuwe bewijsstukken aangedragen of nieuwe argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat dat anders zou zijn.
5.18 De grief in incidenteel appel treft geen doel.
6 De slotsom
6.1 Het hoger beroep van Alvaro c.s. slaagt deels, in die zin dat het hof de forfaitaire schadevergoeding die Alvaro verschuldigd is, matigt tot € 60.911. Voor het overige zal het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen.
6.2 Bij deze uitkomst zijn Alvaro c.s. als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de principaal appel te beschouwen. Het hof zal hen in de kosten van SFPB veroordelen, te begroten op het van SFPB geheven griffierecht en op 1 punt naar tarief IV van het liquidatietarief. SFPB zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld, te begroten op 0,5 punt naar tarief IV van het liquidatietarief.
Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
6.3 De veroordelingen in dit arrest kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als beroep in cassatie wordt ingesteld (uitvoerbaarheid bij voorraad).
7 De beslissing
Het hof:
7.1 bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 2 september 2025, met uitzondering va de beslissing onder 5.3 die wordt vernietigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende
veroordeelt Alvaro c.s. hoofdelijk, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SFPB te betalen de somma van € 60.911 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 september 2023 tot de dag van betaling;
7.2 veroordeelt Alvaro c.s. in principaal appel tot de volgende proceskosten van SFPB
€ 6.803 aan het van SFPB geheven griffierecht
€ 2.352 aan salaris van de advocaat van SFPB;
7.3 veroordeelt SFPB tot betaling van de volgende proceskosten van Alvaro c.s. in incidenteel hoger beroep:
€ 1.176 aan salaris van de advocaat van Alvaro c.s.;
7.4 bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
7.5 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6 wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en W.F. Boele en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 oktober 2026.