Hof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6622

Hoger beroep na beschikking in deelgeschil (vervolg op beschikking van 1 mei 2024 rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, ECLI:NL:RBMNE:2024:5282 en op het arrest in incident van hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden van 23 december 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:8622). Val tijdens skiles op een indoor skibaan met ernstig letsel tot gevolg. Contractuele aansprakelijkheid?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.483/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad C/16/587439
arrest van 13 oktober 2026
in de zaak van
1 [appellant1] ,
die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. [appellant2] ,
die woont in [woonplaats1] ,
3. [appellant3] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en gedaagden in reconventie,
hierna tezamen (in enkelvoud ): [appellanten] ,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga,
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2] ,
en die bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M. de Schiffart.

1 Het verloop van de procedure

1.1 In een beschikking van 1 mei 2024 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op verzoek van [geïntimeerde] , geoordeeld dat [appellanten] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [geïntimeerde] is overkomen op 11 maart 2019 (hierna: het deelgeschil).

1.2 Op 30 december 2024 heeft [appellanten] een dagvaarding uitgebracht, waarin onder meer is verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen de beschikking. De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft in een vonnis van 9 april 2025 het hoger beroep tegen de beschikking toegestaan en voor het overige de zaak verwezen naar de parkeerrol.

1.3 [appellanten] heeft vervolgens op de voet van artikel 1019cc lid 3 Rv tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 1 mei 2024 door na het verkregen verlof daartoe van de rechtbank bij vonnis van 9 april 2025, op 19 mei 2025 een dagvaarding in hoger beroep uit te brengen. Zij heeft in de memorie van grieven onder meer gevorderd de beschikking van 1 mei 2024 en het vonnis van 9 april 2025 te vernietigen en aan [geïntimeerde] zijn vorderingen te ontzeggen. Het procesverloop in hoger beroep blijkt verder uit:
• de memorie van grieven,
• een incidentele conclusie houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid,
• een antwoordakte in het incident,
• het arrest in het incident van 23 december 2025 waarin het hof [appellanten] ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep nu het voor [geïntimeerde] gelet op het petitum van de memorie van grieven voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het hoger beroep zich ook richtte tegen de deelgeschilbeschikking en niet slechts tegen het tussenvonnis, zoals in de appeldagvaarding was aangegeven,
• de memorie van antwoord,
• het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 22 september 2026.

1.4 Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2 De kern van de zaak

2.1 [geïntimeerde] is tijdens een skiles op de indoor skibaan van [appellanten] gevallen. [geïntimeerde] droeg tijdens de les geen helm en heeft door de val ernstig hersenletsel opgelopen. Hij houdt [appellanten] daarvoor aansprakelijk. [appellanten] wijst deze aansprakelijkheid van de hand.

2.2 In de deelgeschilprocedure heeft [geïntimeerde] verzocht om een verklaring voor recht dat [appellanten] aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden. De rechtbank heeft in de beschikking beslist dat [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van haar advies om tijdens de les een helm te dragen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [appellanten] aansprakelijk is voor de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval en heeft [appellanten] veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

2.3 [appellanten] is het niet eens met deze beslissing en heeft in de bodemprocedure bij de rechtbank gevorderd de bindende beslissingen te herzien, in die zin dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van op haar rustende verbintenissen en daarom niet aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] voor zijn val en de gevolgen daarvan, dan wel om toestemming te verlenen om tegen de beslissing in het deelgeschil tussentijds hoger beroep in te stellen. In het vonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank de door [appellanten] gevraagde toestemming verleend.

2.4 In de memorie van grieven heeft [appellanten] vijf grieven (bezwaren) geformuleerd tegen de deelbeschikking en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en het tussenvonnis van 9 april 2025 waarin is geweigerd de beschikking te herzien. [appellanten] merkt daarbij op dat de conclusie zich ‘evident niet richt op de toestemming om tussentijds hoger beroep te mogen instellen’.

2.5 Het hof begrijpt de vordering van [appellanten] in deze bodemprocedure aldus, zoals met partijen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ook is besproken en waartegen [geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt, dat [appellanten] een herbeoordeling vordert van de rechtsverhouding tussen partijen als gevolg van het ongeluk en daarmee een verklaring voor recht dat zij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

2.6 Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en licht dat hierna toe. Het hof laat de beslissing in het deelgeschil, die in de bodemprocedure heeft te gelden als een tussenvonnis, in stand en zal terugverwijzen naar de rechtbank voor een verdere beoordeling en schadevaststelling.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten

3.1 [appellanten] is een ‘indoor’ skicentrum. [appellanten] heeft een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bij Interpolis.

3.2 In de algemene voorwaarden van [appellanten] staat:
‘ Eigen risico
Skiën en snowboarden brengen risico’s met zich mee. Helmplicht geldt voor kinderen t/m 12 jaar en snowboarders, voor skiërs ouder dan 12 jaar wordt geadviseerd een helm te dragen. Drinkt u alstublieft geen alcohol voor de training! Daarnaast helpt een goede basisconditie om blessures te voorkomen. Wij doen er op onze beurt alles aan om het risico op blessures zo veel mogelijk te beperken. Mocht er onverhoopt toch tijdens onze trainingen of het vrij oefenen een blessure ontstaan, dan is dit uw eigen risico.’

3.3 [geïntimeerde] heeft in de periode vanaf 2016 tot en met 2019 meerdere skilessen gevolgd bij [appellanten] . In 2017 zat [geïntimeerde] op niveau 13, wat betekent dat hij een gevorderde skiër is. Tijdens al deze lessen droeg [geïntimeerde] geen helm.

3.4 Op 11 maart 2019 heeft [geïntimeerde] opnieuw een skiles gevolgd bij [appellanten] . [naam1] was op dat moment zijn skileraar. [geïntimeerde] was alleen op zijn baan aan het skiën. De skibaan is 7 meter lang en 5 meter breed en ziet er als volgt uit:

3.5 De skimat wordt machinaal aangedreven. Aan de achterzijde van de skibaan zit een rol (de achterrol) waarover de skimat loopt. De baansnelheid is maximaal 20 km per uur.

3.6 Aan weerszijden van de skibaan en bij het bedieningspaneel zijn noodknoppen geplaatst. De skibaan komt tot stilstand bij een druk op één van deze noodknoppen. De baan heeft dan nog een beperkte uitloop.

3.7 [geïntimeerde] droeg tijdens de skiles op 11 maart 2019 ook geen helm. [geïntimeerde] verloor tijdens het skiën zijn balans en is gevallen. Op dat moment was de baansnelheid 17 kilometer per uur. Tijdens de val is [geïntimeerde] met zijn hoofd op de skimat of de achterrol van de skibaan terecht gekomen. [naam1] heeft deze val gezien en heeft toen op de noodstop gedrukt bij het bedieningspaneel waarna de skibaan tot stilstand kwam met de beperkte uitloop.

3.8 [geïntimeerde] is na deze val met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In het onderzoeksverslag van het Isala-ziekenhuis van 11 maart 2019 wordt geconcludeerd dat sprake is van meerdere schedelfracturen aan de linkerzijde, ‘onder andere doorlopend in het canalis caroticum’. In het ziekenhuis is [geïntimeerde] drie weken in coma gehouden. Na deze periode is [geïntimeerde] vier weken opgenomen geweest in de neurologische afdeling van het ziekenhuis.

3.9 [appellanten] heeft haar bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering gevraagd om een onderzoek in te stellen naar de toedracht van en de omstandigheden rond het ongeval. Dit heeft geresulteerd in het rapport toedrachtonderzoek van Achmea van 9 april 2019. Hierin staat:
‘Op 11 maart 2019, omstreeks 18.45 uur is de benadeelde, tijdens een skitraining gevallen. Bij het parallel skiën, het maken van een bocht, heeft de benadeelde zij ski vlak op de baan gezet waardoor hij zijn balans verloor. Vervolgens is hij op zijn schouder terechtgekomen en met zijn achterhoofd tegen de baan. De benadeelde droeg ten tijde van het ongeval geen helm. De benadeelde is een gevorderde skiër en traint op niveau 13 (advanced 2). Op dit niveau beheerst de klant alle technieken die nodig zijn om goed te kunnen skiën. De verzekerde oefent zijn bedrijf al 30 jaar uit, waarbij er circa 500 klanten per week gebruik maken van de baan. De benadeelde heeft getekend voor de huisregels, waarbij hij geattendeerd is op het gebruik van een helm. Hij zelf de verantwoordelijkheid heeft voor het wel of niet dragen van een helm. Dit geen verplichting is binnen het bedrijf.
(…)
Eigen risico
(…)
Opmerking rapporteur
De skihelm is voor kinderen t/m 12 jaar verplicht. De skihelm is voor volwassenen nog nergens verplicht om te dragen. Er zijn geen wettelijke regels hiervoor. Maar ook aan volwassen, ervaren skiërs wordt geadviseerd een goed passende helm te dragen.’

3.10 Van mei 2019 tot 5 juli 2019 is [geïntimeerde] klinisch behandeld in [revalidatiecentrum] in [plaats] (hierna: [revalidatiecentrum] ). In de periode van 5 juli 2019 tot en met 7 september 2019 is [geïntimeerde] poliklinisch behandeld in [revalidatiecentrum] .

3.11 [geïntimeerde] is door [revalidatiecentrum] neuropsychologisch onderzocht ter inventarisatie van zijn cognitief functioneren. In het rapport neuropsychologisch onderzoek van een gezondheidszorgpsycholoog en een psychologisch medewerker staat:
‘De bevindingen laten problemen zien in het tempo van informatieverwerking, de aandachtsprocessen, geheugenprocessen en de mentale flexibiliteit. (..) De geconstateerde stoornissen (…) passen bij een beeld van restverschijnselen na hersenletsel. (…) In welke mate er sprake zal zijn en op welke termijn er duidelijkheid is over een eindtoestand is nog niet te zeggen.’

3.12 [geïntimeerde] is na het ongeval een periode volledig arbeidsongeschikt geweest. [geïntimeerde] heeft een aanvullende WIA-uitkering ontvangen en heeft enkele tijdelijke arbeidscontracten gehad.

3.13 In een brief van 17 juni 2020 heeft [geïntimeerde] [appellanten] aansprakelijk gesteld voor zijn schade. [appellanten] wijst aansprakelijkheid van de hand.
Wanprestatie?

3.14 De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of [appellanten] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] door het ongeval op 11 maart 2019 heeft geleden.

3.15 [appellanten] heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar aansprakelijkheid heeft gebaseerd op artikel 6:162 BW, nu [appellanten] met [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten. Deze overeenkomst bracht voor haar de verplichting met zich mee dat de tegen betaling aangeboden skiles op de indoor skibaan van [appellanten] veilig, of zo veilig als redelijkerwijs kan worden gevergd, door cursisten kan worden gevolgd of dat daaraan door hen kan worden deelgenomen. Aan die verplichting heeft zij voldaan door de skiles aan [geïntimeerde] als ervaren skiër aan te bieden op een deugdelijk werkende indoor skibaan, in aanwezigheid van een ervaren en gecertificeerde skileraar, terwijl in haar algemene voorwaarden is geadviseerd een helm te dragen. Van haar kan niet worden verlangd dat zij erop toezag dat het gegeven advies werd opgevolgd. Daarmee zou het advies een verplichting zijn geworden. De val is niet veroorzaakt door een gebrek aan de baan, een fout van de instructeur of een onjuiste instelling daarvan. [geïntimeerde] heeft zelf een verkeerde beweging gemaakt waardoor hij ten val kwam. Hij kende de risico’s van de door hem beoefende sport en heeft het advies begrepen, aldus nog steeds [appellanten] .

3.16 Volgens [geïntimeerde] heeft [appellanten] haar zorgplicht geschonden. Relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake is van schending van deze zorgplicht, zijn in beginsel alle omstandigheden van het geval. Daargelaten de mogelijke samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatig handelen in dit geval, is het hof van oordeel dat [appellanten] de zorgplicht die voor haar uit de contractuele verhouding tussen partijen voortvloeide heeft geschonden en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst. Redengevend voor dit oordeel is het volgende.

3.17 Tussen partijen is niet in geschil dat de indoor skibaan waarop [geïntimeerde] ten val kwam deugdelijk functioneerde en dat de les in aanwezigheid van een ervaren en gecertificeerde skileraar werd gegeven. De kern van het geschil is daarmee of [appellanten] aan de verdere invulling van haar zorgplicht heeft voldaan door in de algemene voorwaarden het advies te geven een helm te dragen.

3.18 Tussen partijen is verder niet in geschil dat indoor skiën een risicovolle sport is, waarbij veel manoeuvres worden gemaakt en de baan machinaal wordt voortgedreven waarmee een aanzienlijke snelheid wordt bereikt waarop de cursist slechts in beperkte mate invloed heeft. Dat de sport risicovol is, houdt verband met een inherent aan de sport verhoogd gevaar voor vallen en voor daaruit voortvloeiend letsel, waaronder het gevaar van hoofdletsel, dat weliswaar niet vaak voorkomt, maar doorgaans ernstig van aard is en zeer ingrijpende gevolgen kan hebben, gelet op het feit dat geskied wordt op een harde ondergrond. Dat de sport in deze zin risicovol is geldt voor onervaren cursisten, maar ook voor ervaren cursisten, zoals [geïntimeerde] , die skiën op een hogere snelheid van de machinaal voortgedreven skibaan. Als een cursist zijn of haar balans verliest - en dat kan ook een ervaren skiër overkomen -, dan is de kans groot dat hij/zij ten val komt. De kans dat een ongeval ontstaat als iemand niet voortdurend de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid betracht op een indoor skibaan, is dan ook aanzienlijk, dat hij/zij daarbij met het hoofd de harde ondergrond raakt eveneens. Dit alles brengt voor degene die als professioneel bedrijf een indoor skibaan exploiteert en indoor skiën, waaronder skilessen, organiseert en aanbiedt, het volgende met zich mee: van hem mag worden verwacht dat hij zo veel als redelijkerwijs kan worden gevergd, veiligheidsmaatregelen treft met het oog op de mogelijkheid dat een cursist de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet voortdurend betracht. Daartoe behoort ook dat hij tenminste bevordert, dan wel dringend adviseert dat een helm bij het indoor skiën wordt gedragen. Dat het dragen van een helm van belang is, daarvan was [appellanten] zich ook in 2019 in voldoende mate bewust, getuige haar advies in de algemene voorwaarden.

3.19 Voldoende staat vast dat [geïntimeerde] op 15 januari 2019 bij de inschrijving voor de cursus een ervaren indoor skiër was en de algemene voorwaarden heeft geaccepteerd, zoals hij ook voorafgaand aan de cursussen in 2016 als beginnend skiër en in 2017 als meer ervaren skiër heeft gedaan. Ook staat vast dat hij zich bewust was van het in de voorwaarden opgenomen advies. [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij bij de lessen in 2016 zijn eigen helm bij zich had, maar dat hem door de skileraar dan wel door een andere medewerker van [appellanten] werd afgeraden deze te dragen, omdat er ‘niets kon gebeuren’. Hierbij zou zijn gewezen op de aanwezige skiërs, waaronder kinderen, die geen helm droegen. Dat de skileraar dan wel de medewerker heeft afgeraden een helm te dragen, heeft [appellanten] betwist. Wat daar ook van zij, voldoende staat vast dat, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld en waar niet tegen is gegriefd, als [geïntimeerde] les had, niemand van de indoor skiërs in de hal een helm droeg.

3.20 Van belang is verder dat [appellanten] een professionele aanbieder is van indoor skilessen en zij in die hoedanigheid contracteerde met [geïntimeerde] als cursist van [appellanten] en consument. Gelet hierop en tegen de achtergrond van rechtsoverweging 3.19 is de enkele mededeling van [appellanten] in haar algemene voorwaarden dat skiërs ouder dan 12 jaar wordt geadviseerd om een helm te dragen en dat een helmplicht geldt voor kinderen jonger dan 12 jaar een onvoldoende veiligheidsmaatregel. [appellanten] heeft op geen enkele wijze invulling gegeven aan het in de algemene voorwaarden opgenomen advies, terwijl veiligheidsmaatregelen die deze invulling hadden kunnen geven, eenvoudig te nemen waren en daarom wel van haar verwacht hadden mogen worden. Van een waarschuwing, dan wel herhaling van het advies op bijvoorbeeld borden bij de entree van de indoor skibanen is geen sprake geweest. Ook de skileraren droegen het advies niet uit en lieten aldus na eenvoudig te bevorderen dat cursisten over zouden gaan tot het dragen van een helm. Onbetwist is dat de skileraren in ieder geval zelf geen helm droegen en daarmee niet het goede voorbeeld gaven. Ook anderszins hebben zij er niet op gewezen dat het dragen van een helm door onervaren en ervaren cursisten, jong of oud wenselijk was. Enige vorm van toezicht op het dragen van een helm was er niet. Het gevolg van een en ander was dus dat indoor skiërs in de hal geen helm droegen. Vaststaat ook dat voor cursisten die een helm hadden willen dragen, [appellanten] geen helmen beschikbaar had die in dat geval gebruikt konden worden, geleend dan wel gehuurd. Dat [appellanten] wel helmen te koop aanbood is in dit kader onvoldoende. [appellanten] heeft bij monde van [appellant2] tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift een en ander bevestigd: ‘voorafgaand aan het ongeval werden er geen helmen gedragen bij [appellanten] , ook niet door kinderen jonger dan 12 jaar. Voor het ongeval werd door [appellanten] ook niet gewezen op het in de algemene voorwaarden opgenomen advies om een helm te dragen. (…) We waren ons toen niet bewust van het gevaar van het niet dragen van een helm. Er was voorafgaand aan het ongeval bij [appellanten] een bord aanwezig waarop stond dat de hal betreden werd op eigen risico. Op dit bord werd niet gewezen op het advies om een helm te dragen.’ [appellanten] heeft bij monde van [appellant2] dit bij de mondelinge behandeling bij het hof nog eens bevestigd.

3.21 De conclusie is dat met de bepaling in en de verwijzing naar de algemene voorwaarden in het online boekingsportaal [appellanten] niet heeft kunnen volstaan om te voldoen aan haar zorgplicht die uit de overeenkomst met [geïntimeerde] voortvloeide. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft [appellanten] in 2019 haar contractuele zorgplicht geschonden. [appellanten] had gelet op het risico van skiën op een indoor skibaan waarmee een aanzienlijke snelheid wordt bereikt, bedacht moeten zijn op het gevaar van hoofdletsel na een val met daardoor mogelijk ingrijpende gevolgen. Ter voorkoming daarvan had [appellanten] op de skibaan minst genomen actief moeten bevorderen dan wel dringend moeten adviseren dat het in haar algemene voorwaarden opgenomen advies een helm te dragen werd opgevolgd en haar cursisten, ervaren en onervaren, jong en oud, bij aanvang van de les daadwerkelijk en actief moeten aanbevelen een helm te dragen. Daartoe stonden haar eenvoudig te nemen maatregelen ten dienste (zie rechtsoverweging 3.20), die zij evenwel niet heeft ingezet. Dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden waarin niemand een helm droeg, heeft besloten ook geen helm te dragen, ontslaat [appellanten] niet van de nakoming van haar eigen contractuele zorgplicht. Het hof gaat dan ook aan de stelling voorbij dat het niet verboden was om een helm te dragen en dat de beslissing daarover geheel aan [geïntimeerde] als ervaren skiër zelf kon en mocht worden overgelaten. Het hof laat dan nog daar dat [geïntimeerde] - overigens bestreden door [appellanten] - heeft gesteld dat het hem bij de eerste les door de skileraar verboden is een helm te dragen.

3.22 Voor zover [appellanten] heeft willen stellen dat zij aansprakelijkheid in de algemene voorwaarden heeft uitgesloten voor blessures onder het kopje ‘Eigen risico’, gaat het hof hier niet in mee. De bepaling die [appellanten] in haar algemene voorwaarden heeft opgenomen, dient te worden uitgelegd, conform de bekende Haviltex-jurisprudentie. Een nadere toelichting ontbreekt zodat, gelet op de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld, niet valt in te zien dat [appellanten] ‘er alles aan’ heeft gedaan ‘om het risico op blessures zo veel mogelijk te beperken’ en daarmee een geslaagd beroep op de exoneratie in haar algemene voorwaarden zou kunnen toekomen. [appellanten] heeft immers haar zorgplicht geschonden. Los daarvan geldt dat een beding in algemene voorwaarden in overeenkomsten met consumenten, dat inhoudt dat de gebruiker van algemene voorwaarden niet aansprakelijk is voor letselschade (ongeacht de ernst van het letsel, de ernst van de schending van de zorgplicht, de hoogte van de schade en de vraag of de schade onder de dekking van een verzekering valt) een oneerlijk beding is (vgl. ook artikel 6:237 onder f BW), dat het hof - zo nodig ambtshalve - moet vernietigen.

3.23 Het voorgaande brengt met zich mee dat [appellanten] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting uit de in 2019 gesloten overeenkomst tussen partijen, terwijl nakoming blijvend onmogelijk is. Dit betekent dat [appellanten] in beginsel aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval op 11 maart 2019. Of het handelen ook onrechtmatig is, kan daarmee onbesproken blijven.
Eigen schuld

3.24 [appellanten] heeft gesteld dat sprake is van eigen schuld van [geïntimeerde] in de zin van artikel 6:101 BW. Zij heeft daartoe gesteld dat deelname aan de skiles vrijwillig geschiedt, de skibaan niet gebrekkig was, de noodstop adequaat is bediend en goed heeft gewerkt. De val is, aldus [appellanten] , veroorzaakt door een fout van [geïntimeerde] en niet door een fout van [appellanten] . Aan het beoefenen van de skisport is inherent het risico op een val verbonden. De rotatiesnelheid van de baan was voor een ervaren skiër als [geïntimeerde] laag (17 kilometer per uur), terwijl is geadviseerd een helm te dragen en niet verboden was om dat te doen.

3.25 Voor de bepaling van de omvang van de schade is van belang of er sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW aan de zijde van [geïntimeerde] . Het hof is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld en dat [appellanten] daarmee aansprakelijk is voor de volledige geleden en nog te lijden schade van [geïntimeerde] . De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden leveren geen eigen schuld op van [geïntimeerde] . Niet is bijvoorbeeld gesteld dat hij zich niet heeft gehouden aan instructies van de skileraar, langer is doorgegaan dan goed was gegeven zijn basisconditie, alcohol heeft gedronken of zich (anderszins) roekeloos heeft gedragen. Dat sprake is van een sport waarbij het risico op vallen door een eigen fout inherent aanwezig is, en waaraan [geïntimeerde] vrijwillig op contractuele basis met [appellanten] deelneemt, levert nog geen eigen schuld op. Een fout bij het (indoor) skiën waarbij de skiër ten val komt is inherent aan het (indoor) skiën, dat de skiër daarbij ernstig hersenletsel oploopt doordat hij geen helm draagt, is niet inherent aan het skiën. En juist op dit punt heeft [appellanten] haar zorgplicht geschonden. Weliswaar stelt [appellanten] in de stukken dat de rotatiesnelheid van de baan met 17 kilometer per uur laag was, maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bleek dat de maximale snelheid van de indoor skibaan 20 kilometer per uur was, zodat niet volgehouden kan worden dat in de gegeven omstandigheden de rotatiesnelheid laag was. Het hof gaat aan die stelling dan ook verder voorbij. Van belang is verder dat [geïntimeerde] voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat als [appellanten] bij aanvang van de les daadwerkelijk had uitgedragen dat het dragen van een helm wenselijk was, hij dit advies zou hebben opgevolgd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat juist bij risicovolle sporten, zoals skiën op een mechanisch voortgedreven skibaan, mag worden verwacht dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om ongelukken en daaruit voortvloeiend letsel te voorkomen. De door [geïntimeerde] geleden schade dient dan ook volledig te worden toegerekend aan het feit dat [appellanten] niet heeft voldaan aan haar contractuele zorgplicht. Dat [geïntimeerde] ervoor had kunnen kiezen om een helm te dragen doet in de gegeven omstandigheden waarin niemand van de skiërs een helm droeg en de maatregel van [appellanten] ten aanzien van het dragen van een helm beperkt was tot het advies in de algemene voorwaarden, aan het oordeel niets af. Ook het beroep van [appellanten] op HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7010 kan haar niet baten. In de zaak die ter beoordeling voorlag aan de Hoge Raad kon noch aan de benadeelde noch aan de aangesproken partij enige onzorgvuldigheid worden verweten wat er toe leidde dat de schade deels voor rekening van de benadeelde moest blijven. In dit geval is evenwel sprake van schending van een contractuele zorgplicht, zodat de vergelijking niet opgaat.

De conclusie

3.26 Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in de hoofdzaak in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

3.27 Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk is gesteld in het incident, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in het incident veroordelen.

3.28 De kostenveroordeling in het incident kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.29 Het hof zal verder de zaak terug verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad voor voortzetting van de bij die rechtbank aanhangige procedure ten principale (C/16/587439 / HL ZA 25-22).

4 De beslissing

Het hof:

4.1 bekrachtigt de beschikking in het deelgeschil van 1 mei 2024 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad en het vonnis van deze rechtbank van 9 april 2025, voor zover dit vonnis aan het oordeel van het hof was onderworpen,

4.2 veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in de hoofdzaak in hoger beroep:
€ 362,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290,-),

4.3 veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in het incident:
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290,-),

4.4 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

4.5 verklaart de proceskostenveroordeling in het incident uitvoerbaar bij voorraad;

4.6 wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, voor voortzetting van de bij die rechtbank aanhangige procedure ten principale (C/16/587439 / HL ZA 25-22);

4.7 wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, H. de Hek en J.W. Bockwinkel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 oktober 2026.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken