Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6334
Wet Woz. Ontvankelijkheid beroep. Verzending uitspraak op bezwaar. Terugwijzing naar rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Utrecht
nummer BK-ARN 25/2481
uitspraakdatum: 29 september 2026
Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 24 september 2025, nummer ARN 24/3335, ECLI:NL:RBGEL:2025:7954, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR) (hierna: de Heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1 De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 7 te [plaatsnaam1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 770.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de Heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd.
1.2 Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5 Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft voorts voorafgaand aan de zitting een formulier proceskosten ingediend.
1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] (de echtgenoot van belanghebbende), als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de Heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
2.1 De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 6 december 2023.
2.2 Bij brief van 21 januari 2024 heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend. De brief is op dezelfde dag door de Rechtbank ontvangen.
2.3 De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de Rechtbank is gesteld noch gebleken dat de uitspraak op bezwaar na de dag van dagtekening bekend is gemaakt, zodat de laatste dag van de beroepstermijn 17 januari 2024 is. De Rechtbank heeft de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht.
3 Geschil
3.1 In geschil is of het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.
3.3 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4 De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
4 Beoordeling van het geschil
4.1 Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken genoemd in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is ontvangen. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, in welk geval de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8 Awb en artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).
4.2 Belanghebbende heeft voor de Rechtbank – onweersproken – aangevoerd dat zij de uitspraak op bezwaar op 16 december 2023 heeft ontvangen en heeft daaraan de conclusie verbonden dat de beroepstermijn van zes weken pas op die datum is gaan lopen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende als bijlage bij het beroepschrift in eerste aanleg een schermprint van ‘Mijn Post’ uit de PostNL-app overgelegd. Die schermprint laat een foto zien van een envelop met een poststuk van de BSR aan belanghebbende met als verwachte bezorgdatum vrijdag 15 december. In hoger beroep voert belanghebbende aan dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de dagtekening van de uitspraak op bezwaar als uitgangspunt heeft genomen voor de aanvang van de beroepstermijn.
4.3 In hetgeen belanghebbende in beroep heeft aangevoerd over de ontvangst van de uitspraak op bezwaar – in het bijzonder de verwijzing naar de vorenbedoelde schermprint – ligt besloten de stelling dat de uitspraak op bezwaar pas na de datum van dagtekening (6 december 2023) op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In hoger beroep heeft belanghebbende dat ook expliciet benoemd. Belanghebbende heeft aldus met het oog op het vaststellen van de aanvang van de beroepstermijn betwist dat het bezwaarschrift voor of op de datum van dagtekening ervan ter post is bezorgd. In dat geval rust op de Heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden en wanneer (vgl. HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:677, r.o. 3.2 en HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, r.o. 3.2).
4.4 De Heffingsambtenaar heeft geen verzendadministratie overgelegd of anderszins informatie over de verzending van de uitspraak op bezwaar verstrekt. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de uitspraak op bezwaar pas na de dagtekening ervan ter post is bezorgd. Gelet op de door belanghebbende overgelegde schermprint is aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar pas kort voor de daarop vermelde verwachte bezorgdatum van 15 december 2023 ter post is bezorgd, derhalve op 13 of 14 december 2023. Daarvan uitgaande eindigde de beroepstermijn op zijn vroegst op 24 januari 2024 en is het beroepschrift op 21 januari 2024 binnen de beroepstermijn van zes weken ingekomen.
4.5 Het hoger beroep van belanghebbende treft doel. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling.
4.6 Op grond van het bepaalde in artikel 8:115, lid 1, letter a, Awb dient de hogerberoepsrechter de zaak terug te wijzen naar de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld indien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter de uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep. Er is geen aanleiding om in het onderhavige geval van deze regel af te wijken. Het Hof zal de zaak daarom terugwijzen naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling.
Slotsom
4.7 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
5.1 Aangezien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2 Dientengevolge is er tevens aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Die kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op de reis- en verblijfkosten van haar niet-professioneel gemachtigde echtgenoot ten bedrage van € 7,20 voor een retour met het openbaar vervoer van de woning naar de zitting van het Hof in Utrecht en zijn verletkosten ten bedrage van € 48,51 (drie uur à € 16,17) voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep, in totaal derhalve op € 55,71. Ten aanzien van de verletkosten heeft belanghebbende weliswaar vijf uur geclaimd, maar gelet op de woonplaats en de zittingsduur is drie uur redelijk.
5.3 Of belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep gemaakte kosten dient door de Rechtbank te worden bepaald.
6 Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het beroep ontvankelijk,
– wijst de zaak terug naar de Rechtbank,
– veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 55,71,
– gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. P.J.J. Vonk, voorzitter, mr. M.B. Weijers en mr. H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van mr. A.S.H.M. Strik als griffier.
De beslissing is op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
A.S.H.M. Strik P.J.J. Vonk
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.