Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6251

Hoger beroep, tussenarrest. Kredietovereenkomst voor aankoop auto. Consument of niet? Nadere informatie nodig voor ambtshalve toets. Begrip consument: art. 7:57 lid 1 sub a BW en Richtlijn 2008/48/EG, inzake kredietovereenkomsten voor consumenten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.170
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 11019190
arrest van 29 september 2026
in de zaak van
[appellant] handelend onder de naam [eenmanszaak] ( [kredietnemer] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D.P. Kant
en
BMW Financial Services Nederland B.V. (BMW)
die is gevestigd in Breda
advocaat: mr. E.H.J. Slager

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1 [kredietnemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de kantonrechter) op 5 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het verslag (proces-verbaal) van de enkelvoudige mondelinge behandeling die op 25 september 2025 is gehouden
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
het verslag (proces-verbaal) van de meervoudige mondelinge behandeling die op 18 juni 2026 is gehouden.

2 De kern van de zaak

2.1 Voor de aankoop van een auto is een kredietovereenkomst gesloten met (een voorganger van) BMW die is ondertekend door [kredietnemer] . Door een betalingsachterstand in de aflossing van het krediet heeft BMW het volledige restantbedrag opgeëist bij [kredietnemer] en het dossier overgedragen aan AVS Netherlands B.V. (hierna: AVS). AVS heeft een aantal sommaties gestuurd aan [kredietnemer] en heeft de auto vervolgens ingenomen. De auto is daarna verkocht. Volgens [kredietnemer] had hij een betalingsafspraak met AVS gemaakt, waardoor de auto niet had mogen worden ingenomen en verkocht.

2.2 BWM heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [kredietnemer] wordt veroordeeld tot betaling van het nog openstaande bedrag met rente en kosten. [kredietnemer] heeft op zijn beurt schadevergoeding gevorderd van BMW.

2.3 De kantonrechter heeft de vorderingen van BWM voor het grootste deel toegewezen en de vordering van [kredietnemer] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [kredietnemer] is dat de toegewezen vorderingen van BMW alsnog worden afgewezen en zijn vordering alsnog wordt toegewezen. In hoger beroep heeft [kredietnemer] zijn vordering gewijzigd. Hij vordert een verklaring voor recht dat BMW tekort is geschoten in de nakoming van de betalingsafspraak en BMW te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.

Beslissing hof

2.4 Het hof heeft aanvullende informatie nodig van partijen om te kunnen beoordelen of [kredietnemer] de kredietovereenkomst met BMW is aangegaan als consument of niet. Om vertraging te voorkomen mogen partijen zich in een akte ook meteen uitlaten over de gevolgen van het consumentenrecht voor het geval dat van toepassing is. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot deze beslissing komt.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten

3.1 Op 13 september 2019 heeft [kredietnemer] via bemiddeling van ValueLease B.V. (hierna: ValueLease) een kredietovereenkomst ondertekend (hierna: de overeenkomst). Bij de partijen staat als kredietaanbieder vermeld de voorganger van BMW en als klant: “[eenmanszaak]” met een nummer van de Kamer van Koophandel (hierna: het KvK-nummer).

3.2 In artikel 3.3 van de overeenkomst staat: “het Doorlopend krediet zal alleen gebruikt worden voor de aanschaf van een Voertuig dat alleen gebruikt wordt in de uitoefening van beroep of bedrijf.” In artikel 3.4 worden ook algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaard.

3.3 In artikel 4.1 van de overeenkomst staat dat de dealer het voertuig zal tenaamstellen op naam van de klant. De dealer is de verkoper van de auto. De auto is van de dealer gekocht voor een bedrag van € 13.500,-, wat op grond van de overeenkomst is betaald door de voorganger van BMW.

3.4 In artikel 5 van de overeenkomst is opgenomen hoe de financiering is opgebouwd en dat het kredietbedrag van € 13.500,- plus de kredietvergoeding in maandelijkse termijnen van € 339,55 moet worden terugbetaald aan de voorganger van BMW. Daarbij is opgenomen dat indien de variabele rentevoet verandert ook de looptijd en/of de slottermijn van de overeenkomst verandert. De betaling gebeurt via automatische incasso waarvoor een machtiging moest worden afgegeven (artikel 6).

3.5 Op 14 augustus 2020 heeft de voorganger van BMW aan [kredietnemer] een ingebrekestelling gestuurd en hem gesommeerd het op dat moment openstaande bedrag van € 1.311,77 voor 28 augustus 2020 te betalen.

3.6 Op 13 januari 2021 heeft [kredietnemer] een e-mail van AVS ontvangen waarin wordt meegedeeld dat de vordering is overgedragen aan AVS. [kredietnemer] is in die e-mail ook gesommeerd uiterlijk 15 januari 2021 een bedrag van € 2.830,33 te betalen. Als dat niet mogelijk is, wordt hem verzocht telefonisch contact op te nemen met de heer [naam] , waarbij een 06-nummer is vermeld.

3.7 Op 28 januari 2021 heeft [kredietnemer] een e-mail van AVS ontvangen waarin (nogmaals) wordt vermeld dat de voorganger van BMW vanwege betalingsachterstand haar vordering op [kredietnemer] aan AVS ter incasso heeft overgedragen. [kredietnemer] wordt in die e-mail ook gesommeerd de achterstand van € 2.839,09 te betalen en anders wordt op 31 januari 2021 overgegaan tot terugname van de auto.

3.8 Op 4 februari 2021 heeft AVS een e-mail aan [kredietnemer] gestuurd waarin zij aankondigt ‘de aangifteprocedure’ te starten.

3.9 Op 18 maart 2021 heeft AVS een e-mail aan [kredietnemer] gestuurd waarin zij bevestigt dat de ontvangen betaling in mindering is gebracht op het achterstallig saldo en dat uiterlijk 20 maart 2021 een bedrag van € 2.989,41 moet worden betaald om inname van de auto te voorkomen. Op 23 maart 2021 heeft [kredietnemer] een sommatie van AVS ontvangen dat hij uiterlijk 25 maart 2021 een bedrag van € 2.991,93 moet overmaken omdat AVS anders genoodzaakt is om de auto op 26 maart 2021 terug te nemen.

3.10 Op 30 maart 2021 heeft AVS een e-mail aan [kredietnemer] gestuurd waarin hem wordt gevraagd telefonisch contact op te nemen met [naam]

3.11 De auto is op 31 maart 2021 door AVS tegen de wil van [kredietnemer] ingenomen op het nieuwe woonadres van [kredietnemer] .

3.12 Na taxatie van de auto is deze geveild voor een bedrag van € 7.855,32.

3.13 Op 20 oktober 2021 heeft een gerechtsdeurwaarder namens BMW een brief gestuurd naar [kredietnemer] waarin hij wordt gevraagd om binnen vijf dagen een bedrag van € 3.331,93 te betalen. Daarbij staat vermeld dat na die termijn BMW aanspraak maakt op betaling van verdere rente van 13% per jaar. [kredietnemer] heeft dit bedrag niet betaald.
Heeft [kredietnemer] de overeenkomst gesloten als consument?

3.14 [kredietnemer] heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat hij de overeenkomst als consument heeft gesloten en BMW heeft dat betwist. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [kredietnemer] de overeenkomst niet als consument is aangegaan. Ondanks dat [kredietnemer] in hoger beroep tegen dat oordeel geen klacht heeft gericht, moet het hof ambtshalve onderzoeken of [kredietnemer] op het moment van het afsluiten van de overeenkomst handelde als consument en op die grond consumentenbescherming toekomt.

3.15 De consumentenbescherming komt voort uit regelgeving van de Europese Unie (EU). Voor de uitleg van het begrip consument uit artikel 7:57 lid 1 sub a BW moet daarom worden aangesloten bij de uitleg die het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJEU) aan het begrip ‘consument’ geeft. Bij de beoordeling of [kredietnemer] bij het afsluiten van de overeenkomst handelde als consument moet het hof in ieder geval alle bewijsstukken, de bewoordingen van de overeenkomst en alle omstandigheden van de zaak betrekken, waaronder de aard van de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft en het doel waarmee de overeenkomst is aangegaan.

3.16 Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [kredietnemer] verklaard dat hij bij de aankoop van de auto aan Value Lease heeft gezegd dat de auto voor privégebruik was en dat het niet klopt dat het een zakelijke overeenkomst is. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij voor het verkrijgen van de financiering voor de auto zijn inkomsten van de laatste maanden via de dealer aan Value Lease heeft laten zien. Vervolgens heeft Value Lease de overeenkomst aan de dealer gemaild, heeft [kredietnemer] deze getekend en toen de sleutels van de auto gekregen van de dealer. Dit was allemaal binnen een paar uur geregeld. [kredietnemer] heeft ook verklaard dat hij de aflossingstermijnen altijd privé heeft betaald en dat de auto nooit op de balans heeft gestaan van zijn eenmanszaak (-zaken). Zijn hoofdactiviteit is zijn klusbedrijf en daar had hij een busje voor nodig en niet deze auto. Met zijn onderneming onder de naam [eenmanszaak] heeft hij niets gedaan, aldus steeds [kredietnemer] .

3.17 Namens BMW is toegelicht dat de eerste vraag die wordt gesteld is of de auto zakelijk of privé gefinancierd moet worden. Value Lease heeft een offerte bij BMW ter goedkeuring ingediend en als er iets niet juist zou zijn, dan zou Value Lease dat hebben moeten communiceren met BMW. Het duurt normaal 48 uur om het dossier te beoordelen. Daarnaast heeft BMW toegelicht dat als het om een consumentenkrediet gaat, een heel ander traject wordt doorlopen met een uitgebreide toets. Volgens BMW moet hier een zakelijke financiering zijn gesloten, omdat de overeenkomst zakelijk is en het KvK-nummer van de eenmanszaak van [kredietnemer] daarin is ingevuld. BMW wijst daarbij op de dwingende bewijskracht van de handtekening van [kredietnemer] onder de overeenkomst.

3.18 Het hof beschikt niet over de stukken die [kredietnemer] heeft aangeleverd bij Value Lease en heeft ook niet de stukken die (de voorganger van) BMW over en weer heeft gewisseld met Value Lease. Om te kunnen beoordelen of [kredietnemer] de overeenkomst zakelijk of als consument heeft gesloten, heeft het hof onder meer deze informatie nodig. Daarnaast is nadere informatie nodig over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, welke informatie aan de verkoper van de auto is verstrekt door [kredietnemer] en het gebruik van de auto in het licht van de eenmanszaken ( [eenmanszaak] en het klusbedrijf) van [kredietnemer] . Partijen krijgen daarom de gelegenheid om deze stukken en alle andere relevante informatie toe te sturen in het kader van het sluiten van de overeenkomst.

3.19 Om onnodige vertraging te voorkomen, verzoekt het hof partijen ook te reageren op de vraag wat de consequentie is voor de vorderingen van zowel BMW als [kredietnemer] indien het consumentenrecht van toepassing zou zijn op de overeenkomst, mede met inachtneming wat hierover onder punt 3.15 is overwogen.

De conclusie

3.20 Het hof heeft aanvullende informatie nodig, zoals hiervoor in 3.18 en 3.19 genoemd. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om de gevraagde nadere informatie per akte te verstrekken met de producties ter onderbouwing daarvan. Partijen moeten deze akte gelijktijdig bij het hof indienen, nadat zij elkaar de gelegenheid hebben geboden om van de eigen akte met producties kennis te nemen, zoals hierna uiteengezet.

4 De beslissing

Het hof:

4.1 Het hof verwijst de zaak naar de roldatum 10 november 2026 voor het nemen van een akte die partijen gelijktijdig mogen nemen over hetgeen is overwogen in 3.18 tot en met 3.20;

4.2 Uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hiervoor in 4.1 genoemde roldatum waarop de gelijktijdige akten zullen worden overgelegd, zenden de advocaten elkaar de akten toe, zodat over en weer op de inhoud kan worden gereageerd door in de eigen akte een beknopte reactie op te nemen. Zonder instemming van de wederpartij staat het de advocaten niet vrij de tekst van hun akte te wijzigen (met uitzondering van de reactie) nadat deze is toegezonden aan de advocaat van de wederpartij;

4.3 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, J.P.H. van Driel van Wageningen en M.G. van ‘t Westeinde en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken