Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4272

Art. 24 aanhef onder 1 Verordening (EU) 1215/20212, art. 3:69 BW, art. 3:171 BW; art. 3:308 BW, art. 6:265 BW, art 7:333 lid 1 BW, art. 7:363 BW. Geschil tussen erfgenamen en familieleden. Pachtovereenkomst tussen gemeenschap van erfgenamen en één erfgenaam is tot stand gekomen, zelfs zonder volmacht, door bekrachtiging. Tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding niet. De van rechtswege verhoogde pacht is niet betaald, maar niet verjaarde bedrag is wel betaald. Manier van tot stand komen in 1996 en van pachtwijzigingsovereenkomst in 2023 onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen. Er is sprake van voldoende persoonlijk gebruik. Neef wordt in de plaats gesteld; deelgenootschap in gemeenschap die verpacht staat niet in de weg aan vorderingen tot indeplaatsstelling. Geen voorwaarde aan indeplaatsstelling dat verjaarde pacht alsnog betaald moet worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen