Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1808
Het hof spreekt de verdachte vrij van het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen en het vervolgens gebruikmaken daarvan. De verdachte wordt wel veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan het afgeven door een rechtspersoon van bedrijfsafvalstoffen (uienwater en van het wassen van aardappelen afkomstig proceswater) aan een bedrijf dat niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen. De bedrijfsafvalstoffen zijn niet zonder meer schadelijk voor het milieu, de redelijke termijn van berechting is overschreden en het hof heeft gelet op de gevolgen die de vervolging voor de verdachte en zijn bedrijven heeft gehad. Het hof legt een voorwaardelijke geldboete op van € 1.000,- met een proeftijd van één jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 9a Sr
- Artikel 14a Sr
- Artikel 14b Sr
- Artikel 14c Sr
- Artikel 23 Sr
- Artikel 24 Sr
- Artikel 24c Sr
- Artikel 27 Sr
- Artikel 47 Sr
- Artikel 51 Sr
- Artikel 57 Sr
- Artikel 225 Sr
- Artikel 261 Sv
- Artikel 1a WED
- Artikel 2 WED
- Artikel 6 WED
- Artikel 1.1 Wm
- Artikel 10.37 Wm
- Artikel 61 Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
- Artikel 50 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet