Hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8411

Huurgeschil met betrekking tot ligplaatsen van woonarken. Verhuurde onroerende zaak was eigendom van vennoten in een vof. Vennoten exploiteerden ieder een deel van de onroerende zaak zelfstandig. De huurovereenkomsten zijn aangegaan door de niet verkrijgende (ex) vennoot, al dan niet door tussenkomst van een andere vof waarvan die (ex) vennoot ook vennoot was. Na ontbinding vof en toedeling verhuurde onroerende zaak aan de andere (ex)vennoot is in geschil of sprake is van opvolgend verhuurderschap in de zin van artikel 7:226 BW. Hof oordeelt dat toepassing van artikel 7:226 BW ten aanzien van alle huurovereenkomsten in dit specifieke geval gerechtvaardigd is. Tijdens de ontbindings- en verdelingsprocedure van de vof heeft de niet verkrijgende vennoot met de huurders allonges afgesloten, die zeer nadelig zijn voor de opvolgend verhuurder en door het hof nietig worden geacht wegens strijd met de goede zeden. Niet verkrijgende vennoot is aansprakelijk voor de schade, op te maken bij staat, die de verkrijgende vennoot heeft geleden wegens gemaakte juridische kosten voor het voeren van procedures tegen de huurders met betrekking tot de nietige allonges. Het hof neemt verder beslissingen ten aanzien van diverse geschilpunten tussen opvolgend verhuurder en huurders in het kader van de huurrelatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken