Hof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2934

Het gaat in deze zaak om de vraag of gedoogbeschikking die door de minister is opgelegd moet worden vernietigd. Meer concreet gaat het om de vraag of de permanente gedoogplicht die in de gedoogbeschikking aan de Stichting is opgelegd méér belemmering in het gebruik van de aan de Stichting toebehorende grond brengt dan redelijkerwijs nodig is voor de instandhouding van het werk (de hoogspanningsverbinding). Het hof komt tot het oordeel dat de inhoud van de gedoogbeschikking – afgezet tegen dat wat partijen daarover hebben verklaard – voor tweeërlei uitleg vatbaar is. De formulering in de gedoogbeschikking is zodanig dat hierin is te lezen dat dat de gebruiksbeperkingen zelfstandig in de beschikking aan de Stichting worden opgelegd. Dat staat echter op gespannen voet met de uitleg die de minister aan de gedoogbeschikking geeft, namelijk dat deze gebruiksbeperkingen, die al uit de bestemmingsplannen volgen, uitsluitend informatief in de beschikking zijn opgenomen. De gedoogbeschikking dient echter duidelijkheid te scheppen over de verplichtingen die uit de gedoogbeschikking voortvloeien. Om die reden zal het hof de gedoogbeschikking vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen. Voor het overige blijft de gedoogbeschikking in stand. Artikel 4 lid 1 BP, artikel 2 lid 5 BP.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken