Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2577
Artikel 3 Ontgrondingenwet. De verrichte werkzaamheden worden aangemerkt als ‘ontgronding’ in de zin van artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Geen sprake van uitzondering als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, in verbinding met artikel 2 van de Ontgrondingenverordening Friesland. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een reguliere bewerking in het kader van de normale uitoefening van land-, tuin-, en/of bosbouw. Voor zover van de zijde van verdachte is betoogd dat de betreffende werkzaamheden grondbewerking tot doel hebben, betreft dit een aspect dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een ontgrondingsvergunning aan de orde kan worden gesteld. Dit laat evenwel onverlet dat de wijze van uitvoering van de werkzaamheden meebrengt dat sprake is van ontgronding, waarvoor verdachte een vergunningaanvraag had moeten indienen.
De uitspraak op rechtspraak.nl