Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1977

Vervolging voor het niet-tijdig, binnen dertig dagen, melden van de beëindiging op vijf locaties van een mestopslag (artikel 45 lid 8 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Die regeling is gebaseerd op artikel 34 en 35 van de Meststoffenwet. Overtreding van het voorschrift is strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 3o, WED en daarmee een overtreding. De cumulatief ten laste gelegde feiten zijn voortdurende omissiedelicten. Als begin van de verjaring geldt de dag die volgt op die waarop het verzuim nog had kunnen worden voorkomen. De mestopslag van de eerste vier gedachtestreepjes is beëindigd op respectievelijk 1 januari 2010, 9 maart 2016, 24 juni 2016 en 16 maart 2018. Die omstandigheid is op 7 mei 2021, de pleegdatum van de tenlastelegging, ontdekt. De termijn van dertig dagen liep in het meest recente geval van de eerste vier gedachtestreepjes tot en met 15 april 2018 en de verjaringstermijn ving aan op 16 april 2018. Op 7 mei 2021 was ook in dat geval de verjaringstermijn van drie jaar verstreken, terwijl er pas daarna een daad van vervolging heeft plaatsgevonden. In deze vier gevallen was het recht tot strafvordering vervallen. Het hof heeft het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de verdachte voor het deelfeit dat niet is verjaard tot een geldboete veroordeeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken