Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6376

In deze zaak liggen twee kwesties voor: (a) een beroep op pauliana door de curator ter zake een vaststellingsovereenkomst die ING (huisbankier van gefailleerde) sloot met een huurder van een bedrijfspand met deze gefailleerde. (b) de (principieel ingestoken) vraag of een pandhouder (ING) bevoegd is om (ter zake de vordering waarop het pandrecht rust) met een debiteur van de (inmiddels gefailleerde) schuldeiser (pandgever) een schikking te treffen. Het hof (a) verwerpt het beroep op pauliana. Genoemde vraag (b) beantwoordt het hof – na een tussenarrest – ontkennend: ING kon niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met de debiteur sluiten. Zie ook HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415 (Neo River) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833 (Megalim/Veenbloem). ING beroep zich ook (subsidiair) op haar algemene voorwaarden. Dit beroep gaat niet op omdat de algemene voorwaarde waarop de schikkingsbevoegdheid van ING rust, valt onder de reikwijdte van artikel 7:424 lid 1 BW (lastgeving) en daarmee onder het bereik van artikel 7:422 lid 1 BW zodat genoemde (contractuele) schikkingsbevoegdheid met het faillissement van de schuldeiser is geëindigd. Beroep in cassatie is ingesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken