Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6026
Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vordering van Achmea tot vernietiging van de tussen partijen gedane (tussen)uitspraak van Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (Kifid) en de eis om op grond van artikel 7:904 lid 2 BW de vorderingen tot het doen van uitkering onder verzekering (alsnog) af te wijzen. In incidenteel beroep vordert verzekeringnemer dat het hof Achmea ook veroordeelt tot betaling van concrete bedragen ogv de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Verjaringsproblematiek. Wat is juiste uitleg van artikel 7:942 lid 1 BW? Kan de aanspraak op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan verjaring onderhevig zijn, los van de daaruit voortvloeiende periodieke betalingsverplichtingen in de vorm van maandelijkse uitkeringen? De enkele omstandigheid dat de uitspraak van de CvB afwijkt van de (lagere) rechtspraak is onvoldoende om te oordelen dat het bindend advies voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij is relevant dat niet kan worden gezegd dat de visie van de CvB op de verjaring van de aanspraak onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering evident onjuist of onbegrijpelijk is. Hoge drempel voor vernietiging van de uitspraak (die als bindend advies wordt gekwalificeerd) wordt niet gehaald. Vordering verzekeringnemer wordt toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl