Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5300

Verjaring en stuiting. Appellant had een hypothecaire geldlening en er ontstond achterstand in de aflossingen. De bank heeft na executoriaal beslag op het loon van appellant (2010) de woning executoriaal verkocht (2012) waarna er nog een restschuld was. Op die restschuld bleef het loonbeslag liggen en de inhouding daarvan heeft tot medio 2021 plaatsgevonden. Daarna heeft appellant een kort geding aangespannen met de stelling dat de vordering van de bank was verjaard, want niet (tijdig) gestuit. De vraag ligt in de bodemprocedure voor. De rechtbank oordeelde dat de vordering tot betaling van de restschuld niet is verjaard (RBMNE:2022:3318). In deze zaak moet beoordeeld worden of het door de bank gelegde executoriale loonbeslag waarbij iedere maand een bedrag wordt geïnd van de schuldenaar, als een maandelijks terugkerende stuitingshandeling moet worden beschouwd. Het hof oordeelt analoog aan artikel 3:316 lid 1 BW dat met de maandelijkse inning van het executoriaal loonbeslag door de bank iedere maand sprake is van een daad van rechtsvervolging. Daarmee is aan de schuldenaar (appellant) bekend dan wel wordt hij geacht ermee bekend te zijn dat de bank de vordering niet wil prijsgeven en nog steeds nakoming (betaling van de schuld) verlangd. Daarbovenop is het niet nodig – mede in het kader van een praktisch en vlot rechtsverkeer én de rechtszekerheid – dat de bank iedere vijf jaar ook nog een stuitingsbrief (in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW) stuurt, nu de schuldenaar weet dan wel redelijkerwijs ermee rekening moet houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn zijn gegevens en bewijsmateriaal bewaart en de bank ondubbelzinnig steeds (iedere maand) recht op nakoming wenst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken