Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3889
Maatschapsrecht en procesrecht. Bij uittreding van een maat uit de maatschap ontstaat aanspraak op een uittredingsvergoeding op de overblijvende maten. Deze aanspraken zijn in rechte toegewezen (voor zover de overblijvende maten nog bestaan). Is de maatschap (met andere maten dan die ten tijde van de uittreding) verhaalsaansprakelijk voor deze (deels niet betaalde) uittredingsvergoeding? En zijn de nieuwe maten (mede) aansprakelijk? Tevens vorderingen op grond van ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Verwijzing naar HR 5 november 1976, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman). Gezag van gewijsde eerdere procedure? (HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2:19 BW2
- Artikel 6:166 BW6
- Artikel 3:93 BW3
- Artikel 3:94 BW3
- Artikel 3:192 BW3
- Artikel 3:316 BW3
Aangehaalde uitspraken
- HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853
- HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8680
- Hof Den Haag 21 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1302
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2709
- HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233
- Hof Den Haag 12 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ1158
- Hof Arnhem 27 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:843