Hof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3281
Art 139 Rv, art 6:162 BW art 6:166 BW. Zijn er meerdere gedaagden in rechte betrokken en verschijnt tenminste één van hen niet in het geding maar de rest wel, dan brengen de regels die gelden voor subjectieve cumulatie mee dat hetgeen de wel verschenen gedaagden als verweer hebben gevoerd, in beginsel niet ten gunste kan strekken van de niet-verscheen gedaagden. De rechtbank had de tegen de niet verschenen gedaagden ingestelde vorderingen moeten beoordelen op grond van art. 139 Rv. Op grond van art. 139 Rv, dat involge art. 353 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, wijst het hof de vordering tegen de niet verschenen geïntimeerden bij verstek in toe, nu deze hem niet onrechtmatig (in de zin dat de vordering rechtens niet kan worden gedragen door de daaraan te grondslag gelegde feitelijke gronden) of ongegrond (in de zin dat de gestelde feitelijke gronden onaannemelijk lijken) voorkomt. Aan investeerders is een valse voorstelling van zaken gegeven over een uniek product dat een voorsprong gaf op de concurrentie en dat volgens een geheime receptuur zou worden gemaakt. Investeerders zijn daardoor misleid tot het doen van een forse investering. Bovendien heeft hun zakenpartner een deel van die investering weggesluisd en aangewend ter voldoening van schulden van zijn eigen concern. De zakenpartner is wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Omdat de exacte omvang van de schade nog niet valt vast te stellen, wordt een deel toegewezen en de zaak voor het meerdere verwezen naar de schadestaat. De vorderingen tegen de overige geïntimeerden – die deel uitmaken van het concern en de familie van de zakenpartner – zijn gebaseerd op art 6:166 BW en worden afgewezen wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing.
De uitspraak op rechtspraak.nl