Hof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3163
Hoger beroep; -in gewijsde gegane berekening van legitieme portie; daarin zijn wel schulden aan de legitimaris opgenomen maar is de vorderingskant ervan niet in de bevolen verdeling verdisconteerd; uitleg van gewijsde en gezag van gewijsde; schending waarheidsplicht en misbruik van recht; -daarop werd kortgedingvonnis gebaseerd met dwangsom op medewerking aan verdeling; geen terugbetalings- of schadevergoedingsverplichting wegens de betaalde dwangsommen; wel anderszins schadeplichtigheid; -hypotheekvestiging voor salaris advocaat op onverdeeld aandeel in boedel; na betaling geen belang meer bij aanvechting; duidelijke begrenzing van nietigheidssanctie in tijd en omvang. Artikelen 3:13 en 3:43 lid 1, aanhef en onder a. en 4:64 e.v. BW Artikelen 21, 236, 611a e.v. en 612 Rv.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328
- HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853
- HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683
- HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099
- HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:428
- Conclusie A-G Valk 5 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:21
- Conclusie 22 december 1989, ECLI:NL:PHR:1989:AD0992
- Conclusie 16 november 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AG4901