Hof Arnhem-Leeuwarden 8 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5247

De vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling is later ingediend dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou eindigen, zoals wel is voorgeschreven in het eerste lid van artikel 6:6:11 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van het derde lid van dit artikel kan het openbaar ministerie niettemin worden ontvangen in een verlengingsvordering die binnen een redelijke termijn is ingediend, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Het hof komt in deze zaak tot het oordeel dat de verlengingsvordering is ingediend binnen een redelijke termijn en dat er daarnaast ook sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld het derde lid van artikel 6:6:11 Sv. Het hof acht het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken