Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7027

Feit 1: art. 3.26, tweede lid, onder c, Wet natuurbescherming jo. art. 3.13, lid 4, Besluit Natuurbescherming Vrijspraak. Niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger het jachtgeweer, voorzien van een kunstmatige lichtbron, in de zin van art. 3.26, lid 1, Wet natuurbescherming heeft “gebruikt”. “Ten gebruike meevoeren” van een dergelijk jachtgeweer valt niet onder voormelde term “gebruiken”. Feit 2: art. 22, lid 1, Wet wapens en munitie Nadere overwegingen m.b.t. het bewijs en de strafbaarheid: Het kogelgeweer en de twee hagelgeweren zijn niet rechtstreeks door verdachte vervoerd vanuit het jachtveld (de locatie waar het gebruik was toegestaan) naar diens woning (de bewaarplaats), maar via de buiten het jachtveld gelegen woning van een medejager, om daar na de jacht wat te eten en te drinken. Dit bezoek staat niet in zodanige relatie tot de jacht dat zou kunnen worden gezegd dat het vervoer van het wapen via deze woning redelijkerwijs geboden was. Daarom geldt voor dit vervoer niet de vrijstelling van het verbod van artikel 22, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Veroordeling: Het hof legt op een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 dag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen