Hof Arnhem-Leeuwarden 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3303

In onderstaande zaak wil de curator gebruik maken van een recht van parate executie (recht van hypotheek) dat deel uitmaakt van de faillissementsboedel. De eigenaar van het uit te winnen pand verzet zich tegen de executie op grond van het argument dat de onderliggende lening, die volgens de curator is gesecureerd door het hypotheekrecht, niet bestaat. Het hof overweegt dat het hier gaat om een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv en dat de authentieke akte waarin het hypotheekrecht is vastgelegd heeft te gelden als executoriale titel. Vervolgens werkt het hof de norm uit welke moet worden gehanteerd bij een verzoek tot staking van de executie en zoekt daarbij aansluiting bij de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde normen voor het staken van de executie van een vonnis. Het hof overweegt dat bij die beoordeling het al dan niet bestaan van de, in de authentieke akte vastgelegde, gesecureerde vordering, alleen dan een rol speelt als sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag in de akte. Dat is door appellant onvoldoende onderbouwd. Het hof overweegt vervolgens dat andere belangen bij het staken van de executie door appellant niet zijn aangevoerd. De vordering tot staking van de executie wordt afgewezen. Het hof wijst erop dat als achteraf (in een separate procedure) de rechter vaststelt dat de gesecureerde vordering niet bestaat de executie de curator op eigen risico is doorgezet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken