Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10594

Arbeidsrecht. Had geprivatiseerd ambtenaar voorheen werkzaam bij (rechtsopvolger) ABP aanspraak op wachtgeld vanaf 2000 ten laste werkgever? Na ontbinding arbeidsovereenkomst door kantonrechter in 2000, maakt werknemer aanspraak op wachtgeld. Werkgever weigert en verwijst naar uitkeringsinstantie. Na toekenning en (later weer) intrekking wachtgeld door uitkeringsinstantie, voert werknemer diverse bestuursrechtelijke procedures tot vaststelling wachtgeld (uiteindelijk zonder resultaat) en diverse civiele procedures in verband met de terugvordering van het reeds betaalde wachtgeld door werkgever (ook zonder resultaat). Werknemer vordert daarop jegens werkgever verklaring van recht dat hij aanspraak had op wachtgeld op grond van diverse regelingen (SBK ABP, OUR ABP en WUP). Het gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaart in 2006 voor recht dat werknemer recht heeft op uitkering op van de WUP, dat werkgever aansprakelijk is voor de niet-betaling van de uitkering en zij alle daardoor door werknemer geleden schade dient te vergoeden, nader op te maken bij staat. Werknemer start daarop bij de kantonrechter Maastricht een schadestaatprocedure tot schadevergoeding bestaande uit onder meer gemist wachtgeld en kosten van alle gevoerde (tien) procedures. De kantonrechter Maastricht heeft bij het tussenvonnis van 12 juni 2013 onder meer geoordeeld dat een deskundige moet worden benoemd en daarbij de uitgangspunten/ parameters voor de vaststelling van de schade geformuleerd. In overleg met partijen is tegen dit tussenvonnis hoger beroep opengesteld. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3424, dat vonnis bekrachtigd. Na openstelling van cassatieberoep wendt werknemer zich tot de Hoge Raad. Bij arrest van 20 juni 2017 is door de HR het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 september 2015 vernietigd en het geding verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij speelt onder meer de vraag naar de verhouding tussen beslissingen genomen in de hoofdzaak en beslissingen in de schadestaatprocedure. Inmiddels heeft werkgever onder algemene titel als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 250.000,- betaald. Het hof, als verwijzingshof, heeft het tussenvonnis van de kantonrechter gedeeltelijk vernietigd en kort samengevat geoordeeld dat het hoger beroep van de werknemer (na de verwijzing door de Hoge Raad naar dit hof) deels slaagt. Het hof heeft alsnog de aanspraken van de werknemer deels gehonoreerd. Kort samengevat is daarbij het kernpunt dat naar het oordeel van het hof de wachtgelduitkering moet worden verlengd totdat de werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt (onder toepassing van bepaling artikel 7a OUR). Voorts dient de werkgever in beginsel een deel van de kosten van de eerder gevoerde procedures te vergoeden. Het hof zal overeenkomstig het verzoek van de werknemer de zaak aan zich houden (evocatie conform hoofdregel HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6510 e.a.) en niet terugverwijzen naar de kantonrechter Maastricht, ondanks dat sprake is van een tussenvonnis. Het hof doet een oproep aan partijen, gelet onder meer op het hoog ‘paars krokodil’ gehalte van de zaak en de leeftijd van werknemer (inmiddels 75), om na 21 jaar procederen een minnelijke regeling te treffen. Bij gebreke daarvan verzoekt het hof, in de stand van het geding en met inachtneming van hetgeen inmiddels is beslist, de schadestaat nader te concretiseren en zich uit te laten over een deskundigenbericht in het geval dat nodig zou blijken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken