Hof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:930

Artikel 26 lid 1 Verordening 1215/2012 (herschikte EEX-Verordening) i.c.m. artikel 11 Rv brengt met zich dat de exceptie van onbevoegdheid niet eerst in hoger beroep kan worden ingeroepen. De vraag of tussen partijen wilsovereenstemming tot stand is gekomen over de keuze van het toepasselijke recht en of deze overeenstemming geldig is, wordt bepaald door het beweerdelijk gekozen recht (artikel 3 lid 4 jo. artikel 8 lid 1 EVO), in dit geval dus Nederlands recht. Van een stilzwijgende rechtskeuze kan slechts sprake zijn als deze blijkt uit concrete omstandigheden die erop wijzen dat partijen deze keuze daadwerkelijk hebben gewild. Bij de beoordeling of partijen stilzwijgend een rechtskeuze hebben gedaan, dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat partijen geen rechtskeuze kan worden toegedicht wanneer zij niet de stellige bedoeling hebben gehad een dergelijke keuze te doen(vgl. Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI: NL: HR:2008: BC2726, rov. 3.4 en 3.5 onder verwijzing naar de Conclusie van AG Vlas onder 20-23). Het hof komt, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, tot de conclusie dat tussen partijen sprake is van een stilzwijgende keuze voor Nederlands recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken