Hof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6929
In onderstaand geschil verzet de gefailleerde zich tegen de ontruiming door de curator van het door haar bewoonde woonhuis. Zij voert daartoe inhoudelijke maar vooral formele gronden aan. Het hof oordeelt dat voor de curator in de Faillissementswet (Fw) geen afzonderlijke rechtsgang is gegeven ter verkrijging van een ontruimingstitel. Hij dient daarom in kort geding bij de voorzieningenrechter ontruiming vorderen. De gefailleerde bestrijdt de door de rechter-commissaris gegeven toestemming tot verkoop van de te ontruimen woning als volgt: a) er is geen geldige toestemming gegeven; b) de uitvoerbaarheid van de beschikking tot toestemming is geschorst door een daartegen door de failliet ingesteld beroep op grond van artikel 67 Fw; c) het ontbreken van toestemming is een in de koopovereenkomst genoemde opschortende voorwaarde; De door een rechter-commissaris gegeven toestemming als bedoeld in artikel 176 lid Fw is geen rechtspraak in de eigenlijke zin. De rechter beslist niet inzake een geschil of op een verzoek een rechtstoestand tot stand te brengen of te wijzigen. Deze toestemming maakt deel uit van de aan de rechter toegedeelde taak toezicht als bedoeld in artikel 64 Fw te houden. Zij ziet op het wettelijk vereiste dat de curator zich voorafgaand aan de verkoop van een boedelbestanddeel moet verstaan met de rechter-commissaris. De vorm waarin die toestemming wordt gegeven is vrij en hangt af van de omstandigheden van het geval. Zij kan ook achteraf worden verleend. Voldoende is dat uit het digitale systeem waarvan de rechter-commissaris zich bedient in zijn communicatie met de curator blijkt dat (achteraf) toestemming is gegeven. De verleende toestemming is niet uitvoerbaar en kan daarom niet 'uitvoerbaar' bij voorraad worden verklaard. Derhalve heeft een tegen de toestemming (in enig beroep) gemaakt bezwaar geen schorsende werking op de uitvoerbaarheid van de toestemming. De bezwaren van de gefailleerde betreffende het ontbreken van een (spoedeisend) belang van de curator bij een ontruimingstitel worden op insolventierechtelijke en feitelijke gronden verworpen. Ook het argument dat de kwetsbaarheid van de gefailleerde (mede gezien haar hoge leeftijd) voor besmetting met het Covid-19 virus wordt gepasseerd. De curator heeft de gefailleerde gedurende meer dan een jaar herhaald en indringend gewaarschuwd voor de ontruiming. Zij heeft daarop geen aktie ondernomen maar vastgehouden aan haar standpunt dat zij de woning niet wenst te verlaten. De gefailleerde betoogt voorts dat de curator niet beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de gehele woning. Dit omdat de eigendom daarvan slechts ten dele toekomt aan de gefailleerde en voor eenderde deel ook aan haar twee kinderen als erfgenamen van hun tijdens het faillissement overleden vader, de echtgenoot van gefailleerde. Gefailleerde is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met haar echtgenoot. Het hof overweegt dat ten tijde van de faillietverklaring de woning behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap en dat deze op grond van artikel 63 Fw onderdeel ging uitmaken van de faillissementsboedel waarover de curator exclusief beschikkingsbevoegd was (artikel 68 Fw). Het hof motiveert op zowel erfrechtelijke als insolventierechtelijke gronden dat de curator beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de gehele woning. Het hof staat tevens stil bij de ratio van artikel 63 Fw. Het standpunt dat tussen de gefailleerde en de curator (stilzwijgend) een huurovereenkomst tot stand is gekomen wordt verworpen. Het argument dat door de gefailleerde (en/of haar kinderen) tijdens het faillissement de maandelijkse hypotheekverplichtingen aan de bank zijn voldaan, is daartoe onvoldoende. Aan de failleerde komt derhalve geen beroep toe op huurbescherming. Het hof heeft op de door de gefailleerde ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de executie ter zitting op 12 augustus 2020 mondeling uitspraak gedaan. Hij heeft daarbij die schorsing toegewezen. Het hof had ter zitting toegezegd dat hij uiterlijk 21 augustus 2020 (schriftelijk) uitspraak zou doen (tien dagen voor de datum waarop de curator contractueel gehouden was de woning leeg en ontruimd te leveren).. De curator deelde daarop mee dat hij die uitspraak niet zou afwachten maar op 13 augustus 2020 zou overgaan tot de feitelijke ontruiming op grond van de in dit hoger beroep bestreden titel tot ontruiming.
De uitspraak op rechtspraak.nl