Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6049

Beslissing ter zake van (vordering tot) verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel). Rechtbank heeft beslist tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, nadat meer dan een jaar is verstreken sinds de maatregel voorwaardelijk is geëindigd. Hof vernietigt beslissing rechtbank en wijst vordering af. Uit art. 77ta.2 Sr vloeit voort dat de maatregel een jaar nadat deze voorwaardelijk is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk eindigt. Dit artikel bepaalt dat verlenging van de voorwaardelijke beëindiging mogelijk is. Het regelt echter niet dat de voorwaardelijke beëindiging voortduurt in de periode dat een vordering tot verlenging aanhangig is. Art. 6:6:32.1 Sv verklaart art. 6:6:11 Sv niet van overeenkomstige toepassing. Ook anderszins acht het hof artikel 6:6:11 Sv niet van overeenkomstige toepassing op de verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. De wetsgeschiedenis noch de systematiek van de wet geeft hiervoor aanknopingspunten. Verlenging van die termijn wordt hierdoor weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk. Dat van overeenkomstige toepassing verklaren een wens is geweest van de wetgever die door een vergissing niet in de wettekst is opgenomen, wordt weersproken door het gegeven dat de wetgever sinds de inwerkingtreding van de regeling van voorwaardelijke beëindiging per 1 juli 2011 geen stappen heeft gezet om deze vermeende omissie te herstellen. Herstel daarvan valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter. Hier is de wetgever aan zet. Gelet hierop dient doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de tekst van artikel 77ta, tweede lid, Sr, inhoudende dat de maatregel op de gegeven datum onvoorwaardelijk eindigt. Nadat een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk is geëindigd, ontbreekt voor de rechter een grondslag voor verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging. Dat dit ongewenste maatschappelijke consequenties kan hebben, is mede gelet op het stilzitten van de wetgever onvoldoende om een ruimere uitleg te geven aan de wet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken