Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4081
Niet voldaan aan vereisten artikel 6 lid 3 Fw. Appellanten 1 tot en met 5 en geïntimeerde stellen substantiële vorderingen op elkaar te hebben. Meerdere procedures gevoerd. Op dit moment loopt er een bodemprocedure met grote vorderingen over en weer. Vorderingsrecht van appellanten 1 tot en met 5 niet summierlijk komen vast te staan. Voorts voldoende aannemelijk dat appellanten 1 tot en met 5 misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid het faillissement van geïntimeerde aan te vragen. Onevenredigheid van belangen. Vorderingen van appellanten 6, 7 en resterende deel van de vordering van appellant 8 door geïntimeerde voldoende summierlijk betwist, zodat thans niet summierlijk is gebleken van het bestaan van deze vorderingsrechten. Voor het deel van de vordering van appellant 8 dat niet wordt betwist, staat het geld op de derdenrekening van de advocaat, zodat dit deel van de vordering niet bij kan dragen aan het oordeel dat geïntimeerde in de toestand zou verkeren te hebben opgehouden te betalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl