Hof Arnhem-Leeuwarden 29 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10939
Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank inhoudende de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verpleging van overheidswege op grond van artikel 6:6:10, derde lid, Sv, zoals dat na de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet USB luidde, van rechtswege voorwaardelijk is beëindigd, omdat het proefverlof langer dan twaalf maanden heeft geduurd en de termijn van de terbeschikkingstelling in de tussentijd niet is verlengd. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het wegvallen van de rechterlijke toetsing in de oorspronkelijke formulering van artikel 6:6:10, derde lid, Sv, een kennelijke misslag van de wetgever betrof, die met de Spoedrepartiewet USB is hersteld. Naar het oordeel van het hof was het op grond van de tekst, de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis duidelijk dat met de Invoeringswet USB en de wijzing van artikel 38h, eerste lid, Sr (oud) geen automatische voorwaardelijke beëindiging van de verpleging zou ontstaan. Het hof is van oordeel dat ook na de Invoeringswet USB het derde lid van artikel 6:6:10 Sv (oud) diende te worden gelezen in samenhang met artikel 6:6:10, eerste lid, aanhef, Sv en dat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege een bevoegdheid is gebleven van de rechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl