Hof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4158
Verklaringsprocedure in de zin van art. 477a lid 2 Rv. Executant heeft stelplicht en bewijslast van gestelde rechtsverhouding en daaruit voortvloeiende vordering maar derde-beslagene dient wel haar betwisting behoorlijk te onderbouwen en zo nodig van stukken te voorzien (476b lid 2 Rv). Gevolgen van het intreden van de WSNP aan de zijde van de beslagdebiteur. Leidt van rechtswege tot verval van de verklaringsprocedure. Dit volgt uit HR 16-12-1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0545, NJ 1989, 363 en reeds uit HR 28-05-1915, ECLI:NL:HR:1915:104, NJ 1915, p. 882. In dit geval doet zich echter de bijzonderheid voor dat beslagdebiteur tot aanvang WSNP is doorbetaald door een derde namens de derde-beslagene. Aldus is de vordering in zoverre uit het vermogen van de beslagdebiteur verdwenen en valt die teniet gegane vordering niet in de schuldsanering en heeft dat tot gevolg dat het beslag in zoverre niet op grond van artikel 301 lid 3 Fw komt te vervallen en de verklaringsprocedure niet van rechtswege een einde neemt. De in weerwil van het beslag gedane betalingen kunnen niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen (artikel 475 h lid 1 Rv) zodat die belang houdt bij de vaststelling van wat was verschuldigd (tot aan het moment van de schuldsanering) en de derde-beslagene met toepassing van artikel 477 a lid 4 Rv kan worden veroordeeld tot het (opnieuw) betalen aan de beslaglegger.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 476a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 477a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 479a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 301 Fw
- Artikel 6:30 BW6
- Artikel 6:33 BW6