Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3584

Schadevergoeding in verband met het op niet-legale wijze afnemen van elektriciteit. Verstek. Eisvermeerdering. Appellant heeft vervolgens, nadat tegen geïntimeerde verstek was verleend, bij memorie van grieven met haar eerste grief haar eis gewijzigd door de wettelijke handelsrente over de hoofdsom te vorderen, in plaats van de (lagere) wettelijke rente. Nu geïntimeerde niet in het geding in hoger beroep is verschenen, was de eisvermeerdering bij memorie van grieven uitgesloten, tenzij die vermeerdering tijdig bij exploot aan geïntimeerde kenbaar is gemaakt (zie de artikelen 331 en 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Van een kennisgeving van de eiswijziging aan geïntimeerde is niet gebleken, laat staan dat dit bij exploot en tijdig is gebeurd. Daarom zal het hof aan de bij memorie van grieven ingestelde eiswijziging voorbij gaan en de bij de dagvaarding in eerste aanleg ingestelde vorderingen beoordelen. De vordering van appellant, zoals bij memorie van grieven nader toegelicht, komt het hof niet kennelijk onredelijk of ongegrond voor. Deze vordering is verder gebaseerd op dezelfde grondslag (wanprestatie) en hetzelfde feitencomplex (energiefraude zoals gerapporteerd in het door appellant bij inleidende dagvaarding overgelegde onderzoeksrapport) als de in eerste aanleg ingestelde vordering en voldoet in zoverre aan de eis dat geïntimeerde niet zal worden veroordeeld tot iets waarvan hij niet weet of kan weten dat en waarom het is gevorderd

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen