Hof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2468
7:313 en 397 BW en 7:361 lid 3 BW Vordering van een verklaring voor recht gevorderd dat verpachter jaarlijks op grond van een geliberaliseerde pachtovereenkomst aan pachter percelen weiland gelegen op het landgoed dient te verpachten ter grootte van tussen 10 en 11.7 ha voor zolang de pachtovereenkomst met betrekking tot de hoeve op het landgoed voortduurt. De vordering is gebaseerd op een afspraak die onvolledig schriftelijk is vastgelegd. Het komt dus aan op de uitleg van de pachtovereenkomst. Het hof oordeelt dat pachter deze afspraak voldoende heeft bewezen en dat de verpachter, die het landgoed inclusief de hoevapachtovereenkomst heeft gekocht, aan de afspraak is gebonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl