Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2223
Geschil over de vraag of tussen partijen een (onvoorwaardelijke) koopovereenkomst tot stand is gekomen waarbij appellanten een boerderij van geïntimeerden hebben gekocht. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of partijen (opschortende) voorwaarden in de zin van een door appellanten te verkrijgen financiering en een appellanten conveniërend bouwkundig onderzoek zijn overeengekomen. Subsidiair speelt de vraag of appellanten een beroep toekomt op dwaling of non-conformiteit. Voorts verschillen partijen van mening over de vraag of appellanten gehouden zijn een boetebedrag en/of schadevergoeding aan geïntimeerden te betalen, waarbij (ook) over de hoogte van de eventueel te betalen schade de standpunten uiteenlopen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 164 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 170 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:88 BW1
- Artikel 6:80 BW6
- Artikel 6:101 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:217 BW6
- Artikel 6:228 BW6
- Artikel 6:265 BW6
- Artikel 7:2 BW7
- Artikel 7:17 BW7
- Artikel 7:23 BW7
- Artikel 3:51 BW3
- Artikel 3:52 BW3
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8892
- HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284
- HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178
- Conclusie A-G Keus 9 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT5156
- HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677
- HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357
- HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:32