Hof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11287
Wrakingsverzoeken afgewezen. Uit de conclusie van de PG van 26 november 2019 blijkt niet dat sprake is van een zo onbegrijpelijke beslissing of motivering dat van vooringenomenheid sprake is of dat deze moet worden vermoed. Dit maakt dat zich niet de situatie voordoet dat aan het nemen van de beslissing van 1 mei 2019 geen ander motief ten grondslag kan hebben gelegen dan vooringenomenheid, althans dat die schijn redelijkerwijs is gewekt. Voor zover verzoekers zich op het standpunt hebben gesteld dat alle raadsheren van de WAHV-afdeling, ondanks de conclusie van de PG, (nog steeds) de in de uitspraak van 1 mei 2019 uitgezette lijn volgen, overweegt de wrakingskamer dat niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat op goede gronden niet tot een afwijking daarvan gekomen zou kunnen worden. Het staat verzoekers vrij om in de WAHV-procedure inhoudelijke argumenten aan te voeren waarom er in hun zaak van de desbetreffende lijn zou moeten worden afgeweken. Dat zij dat (tevergeefs) hebben gedaan, is gesteld noch gebleken. De wrakingsprocedure leent zich daar niet voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl