Hof Arnhem-Leeuwarden 5 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7153
Art. 6 EVRM, art. 509x Sv, art. 38d Sr, art. 38e Sr. Redelijke termijn, behandeling van hoger beroep tegen verlenging terbeschikkingstelling. Geen sprake van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep van de terbeschikkinggestelde is immers ruim zes maanden na het instellen van het beroep behandeld. Gebleken is dat het dossier eerst op 8 mei 2018 door het hof is ontvangen (het proces-verbaal van de zitting pas op 23 mei 2018), waardoor de behandeling van het beroep lange tijd op zich heeft laten wachten. Het hof betreurt deze gang van zaken. Het hof zal hieraan echter, gelet op de aard en de strekking van de maatregel, geen andere consequentie verbinden dan de enkele vaststelling dat de redelijke termijn voor het behandelen van het hoger beroep is overschreden. De wet stelt niet de eis dat ten tijde van de beslissing over de verlenging van de terbeschikkingstelling het recidivegevaar moet voortvloeien uit een psychische stoornis die aanwezig was ten tijde van het indexdelict. Een relatie tussen de bij de verlenging aanwezige stoornis en het indexdelict is evenmin vereist. De maatregel van terbeschikkinggestelde kan worden opgelegd aan de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit (het indexdelict) een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens (een stoornis) bestond. Er moet ook sprake zijn van een stoornis ten tijde van de verlenging van de terbeschikkingstelling. Het hof stelt vast dat aan deze eis is voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl